De leerplicht

1. Inleiding.

De wettelijke en decretale bepalingen rond de leerplicht die relevant zijn voor de secundaire scholen komen in deze omzendbrief aan bod.

2. Duurtijd.

De leerplicht vangt aan op 1 september van het kalenderjaar waarin de jongere de leeftijd van 6 jaar bereikt en duurt :

- hetzij tot 30 juni van het kalenderjaar waarin de leerling 18 jaar wordt : indien het bereiken van die leeftijd tussen 1 juli en 31 december valt;

- hetzij tot de datum waarop de leerling 18 jaar wordt : indien die datum tussen 1 januari en 30 juni valt.

(Voor een leerling waarvoor geen officiële geboortedag en -maand gekend zijn, wordt 1 januari als geboortedatum genomen.)

Het feit dat de leerplicht voor tal van leerlingen in de loop van het schooljaar afloopt, is evenwel géén pleidooi voor vroegtijdige schoolverlating, integendeel. Iedereen die op een of andere wijze bij het onderwijs betrokken is, moet dan ook met alle middelen pogen om de desbetreffende leerlingen, daar waar nodig, voldoende te motiveren om tot het einde van het schooljaar onderwijs te volgen en, bij voorkeur, een eindstudiebewijs te behalen. Het tegengaan van de ongekwalificeerde uitstroom is immers een topprioriteit binnen het onderwijsbeleid. Leerlingen die dan toch het secundair onderwijs verlaten zonder diploma van secundair onderwijs, zullen worden gewezen op de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap en op het volwassenenonderwijs als alternatieven om alsnog het diploma te behalen.

3. Vrijstelling.

Een jongere uit de hierboven bedoelde leeftijdscategorie is niet (meer) leerplichtig:

- in de gevallen zoals vermeld in de omzendbrieven inzake onderwijs voor zieke jongeren (SO/2005/05 en SO/2005/06(BUSO));

-indien het voltijds secundair onderwijs met vrucht werd beëindigd, waaronder wordt verstaan houder zijn van het diploma van secundair onderwijs, van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad BSO of van een getuigschrift van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs.

Een vrijstelling van de leerplicht om andere redenen, zoals ontvoogding, huwelijk, moederschap ..., is onder geen beding mogelijk. De verantwoordelijkheid van de ouders met betrekking tot de naleving van de leerplicht, blijft ook in voormelde gevallen onverkort gelden.

4. Draagwijdte.

De leerplicht is voltijds of deeltijds.

De voltijdse gaat in de deeltijdse leerplicht over :

hetzij bij het bereiken van de leeftijd van 16 jaar;

hetzij bij het bereiken van de leeftijd van 15 jaar mits de leerling reeds de eerste twee leerjaren van het voltijds secundair onderwijs - al dan niet met vrucht - heeft beëindigd (het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B worden in dit verband als één leerjaar beschouwd; het onthaaljaar wordt buiten beschouwing gelaten).

Onder voltijdse leerplicht wordt de eerste periode van de leerplicht verstaan waarin de minderjarige voltijds onderwijs dient te volgen. Aan de voltijdse leerplicht kan maximaal 8 jaar via lager onderwijs worden voldaan. Daarna gaat de leerplichtige hoe dan ook over naar het voltijds secundair onderwijs, waaronder het onderwijs wordt verstaan dat wordt verstrekt gedurende 40 weken per jaar naar rata van ten minste 28 wekelijkse lesuren; het kan zowel om gewoon als buitengewoon secundair onderwijs gaan.

Aan de deeltijdse leerplicht kan worden voldaan :

- door het verderzetten van het voltijds secundair onderwijs;

- via het stelsel leren en werken, dat een voltijds engagement van ten minste 28 wekelijkse uren inhoudt.

Aan de voltijdse of deeltijdse leerplicht kan ook worden voldaan via huisonderwijs. Huisonderwijs is contactonderwijs dat verstrekt wordt aan leerplichtigen van wie de ouders beslist hebben om hen niet in te schrijven in een door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school (niettemin wordt onder huisonderwijs in de praktijk niet enkel het onderwijs verstrekt in particulier verband maar ook het onderwijs verstrekt in een privéschool verstaan). Met contactonderwijs wordt onderwijs bedoeld waarbij er een rechtstreeks en regelmatig contact is tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de leerling, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking.

Het huisonderwijs moet aan twee minimumeisen voldoen : enerzijds moet het gericht zijn op de ontplooiing van de volledige persoonlijkheid en de talenten van de jongere en op de voorbereiding op een actief leven als volwassene, anderzijds moet het het respect voor de grondrechten van de mens en voor de culturele waarden van de jongere zelf en van anderen bevorderen; andere inhoudelijke voorwaarden worden niet opgelegd.

Ouders die voor huisonderwijs kiezen moeten uiterlijk op de derde schooldag van het schooljaar waarin de leerplichtige huisonderwijs volgt, een verklaring van huisonderwijs en bijkomende informatie over het huisonderwijs indienen bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten heeft hiervoor een formulier ter beschikking gesteld (zie http://ond.vlaanderen.be/formulieren/fiche.asp?id=804). In het geval voor meerdere kinderen samen huisonderwijs wordt georganiseerd op een plaats die verschilt van hun thuisadres, dan volstaat één gezamenlijke verklaring uitgaande van de organisator van dat huisonderwijs. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan toch nog voor huisonderwijs gekozen worden in de loop van het schooljaar.

Ouders die voor huisonderwijs kiezen, zijn verplicht om hun leerplichtige kinderen te laten deelnemen aan de examens van de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap Secundair Onderwijs. Hiervoor gelden volgende gezamenlijke modaliteiten :

-deze regeling is van toepassing op leerplichtigen die geboren zijn in het jaar 2002 of later;

- de leerplichtige moet uiterlijk binnen het schooljaar waarin hij voor 1 januari vijftien jaar is geworden bij de examencommissie zijn ingeschreven;

-de leerplichtige moet uiterlijk binnen het schooljaar waarin hij voor 1 januari zestien jaar is geworden een getuigschrift van de eerste graad, een getuigschrift van de tweede graad of een diploma van secundair onderwijs (naar keuze) voor de examencommissie behalen.

Indien de leerplichtige laattijdig wordt ingeschreven of niet slaagt na maximaal twee pogingen, dan moet de leerplichtige in een door de gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school of centrum worden ingeschreven. In uitzonderlijke gevallen kan een leerplichtige vrijgesteld worden van deze verplichting.

Het is aan de onderwijsinspectie om te controleren of aan de minimumeisen is voldaan; de ouders moeten deze controle aanvaarden en er hun medewerking aan verlenen. Is dit niet het geval of wijzen twee opeenvolgende controles uit dat de minimumeisen niet worden vervuld, dan moet de leerplichtige in een door de gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school of centrum worden ingeschreven.

Bij stopzetting van huisonderwijs tijdens het schooljaar moeten de ouders een bewijs van inschrijving in de school of centrum bezorgen aan het AgODi. Indien men voor de betrokken jongeren later het huisonderwijs wil hervatten, dan kan dat enkel mits voorafgaande toestemming van de onderwijsinspectie. Die toestemming wordt verleend indien de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt.

Huisonderwijs geeft nooit recht op erkende studiebewijzen; de examencommissie van de Vlaamse gemeenschap biedt hier een oplossing.

Meer gedetailleerde informatie over huisonderwijs vindt u op de website AgoDi.

5. Kinderen van vreemde nationaliteit.

Voor de jongere van vreemde nationaliteit die immigreert samen met de personen die de ouderlijke macht uitoefenen of de jongere in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, gelden alle verplichtingen inzake leerplicht vanaf de 60ste dag na die waarop voornoemde personen werden ingeschreven in het vreemdelingenregister, in het wachtregister of in het bevolkingsregister - naargelang van het geval - van de gemeente van hun verblijfplaats.

6. Verbod op het sluiten van arbeidsovereenkomsten.

Het is verboden jongeren die onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht hetzij arbeid te doen verrichten of enige werkzaamheid buiten het kader van hun opvoeding of vorming te doen uitvoeren, hetzij arbeidsovereenkomsten van welke aard ook met hen af te sluiten.

In afwijking hiervan kan de inspectie van de sociale wetten van het ministerie van tewerkstelling en arbeid toelaten dat onder bepaalde voorwaarden individuele jongeren beneden de 15 jaar tijdelijk een bepaalde werkzaamheid mogen uitoefenen (bv. in de artistieke wereld). Een tewerkstelling voor studenten daarentegen is slechts mogelijk indien de jongere de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt én niet meer aan de voltijdse leerplicht is onderworpen.

7. Inbreuken.

Het niet beantwoorden aan de leerplicht kan tot strafbepalingen aanleiding geven. Het is nochtans de bedoeling dat ter zake eerder preventief en begeleidend dan wel bestraffend wordt opgetreden. De omzendbrieven betreffende de aanpak van de afwezigheidsproblematiek van leerlingen in het voltijds secundair onderwijs respectievelijk deeltijds beroepssecundair onderwijs, zijn dan ook in het verlengde hiervan opgesteld.

8. Controle.

8.1. De wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht bepaalt dat de personen die de ouderlijke macht uitoefenen of leerplichtige kinderen in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, verplicht zijn ervoor te zorgen dat die kinderen voldoen aan de wet op de leerplicht. Dat betekent dat zij ofwel in een school voor voltijds gewoon of buitengewoon onderwijs, in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of in een centrum voor vorming van zelfstandigen en KMO moeten ingeschreven zijn en die school of dat centrum geregeld moeten bezoeken, ofwel huisonderwijs moeten volgen. Voormelde centra kaderen in het stelsel leren en werken. De controle op de inschrijvingen van leerplichtigen is een jaarlijks weerkerende aangelegenheid. Deze controle strekt er ook toe te vermijden dat een leerling in verschillende scholen of centra is ingeschreven.

8.2. Ijkdatum voor de controle is de eerste of de tweede of de derde schooldag van het schooljaar. Ze wordt uitgevoerd via het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen. Omdat de meest efficiënte manier van controleren de directe controle tussen AgODi en elke individuele school of centrum is, werd via koninklijk besluit gerealiseerd dat:

- AgODi toegang heeft tot de gegevens van het Rijksregister en het identificatienummer (het zogenaamde Rijksregisternummer) mag gebruiken;

- de directies het identificatienummer van hun leerlingen kunnen gebruiken.

Via DISCIMUS beschikt AgODi over een lijst met de identificatiegegevens van de leerlingen die uiterlijk de derde schooldag werden ingeschreven, evenals een overzicht van de aan- en afwezigheden.’

Door de vergelijking van de lijsten van de verschillende scholen en centra met een globale lijst van de Vlaamse gemeenschap, zal de overheid snel en efficiënt (via de unieke sleutel van het Rijksregisternummer) nagaan welke leerplichtigen niet ingeschreven zijn en welke identificatienummers meer dan eenmaal optreden.

Om dit systeem werkbaar te maken hebben de directies dus het identificatienummer van alle leerlingen nodig. Zij vragen dat bij een eerste inschrijving van elke leerling. Indien de ouders of de meerderjarige leerling weigeren dat nummer te geven of niet kunnen geven, kan het nummer bekomen worden bij AgODi.

8.3. Het gehanteerd controlesysteem moet de nodige garanties bieden voor de beveiliging van het identificatienummer en de beperking van het gebruik ervan. Een te algemene verspreiding en te onbeperkt gebruik ervan zou niet stroken met de vereisten van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Het identificatienummer mag enkel gebruikt worden als identificatiemiddel in de leerlingendossiers en voor de uitwisseling van gegevens met AgODi. Het mag ook niet aan derden worden doorgegeven. Het spreekt voor zich dat er omzichtig moet omgesprongen worden met de gegevens van de leerlingen. De wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer bepaalt dat de nodige veiligheidsmaatregelen moeten getroffen worden om de persoonsgegevens af te schermen voor onbevoegden. Dit houdt m.b.t. het identificatienummer concreet in dat de toegang ertoe strikt beperkt moet blijven tot de medewerker(s) van de leerlingenadministratie die verantwoordelijk zijn voor de gegevensuitwisseling met AgODi.