Berekening van de werkingsmiddelen voor het secundair onderwijs

1. Nieuw financieringsmechanisme.

Met ingang van het begrotingsjaar 2009 (schooljaar 2008-2009) wordt in het leerplichtonderwijs een nieuw financieringsmechanisme ingevoerd. Het net waartoe de school behoorde, was tot nu toe doorslaggevend bij de verdeling van de werkingsmiddelen. De kenmerken van de leerlingen speelden geen rol. Nochtans moet een school met bv. veel anderstalige leerlingen meer dan gemiddeld investeren om succes te boeken. Vanaf het schooljaar 2008-2009 komt hierin verandering. In de gewone secundaire scholen tellen de leerlingenkenmerken mee bij de verdeling van de middelen, bovendien wordt de lat tussen de onderwijsnetten gelijk gelegd. Om dit te kunnen realiseren wordt het budget in het secundair onderwijs met 40 miljoen euro verhoogd.

De architectuur voor de berekening van de werkingsmiddelen voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs is gelijkaardig. Een belangrijk verschil is evenwel dat de leerlingenindicatoren enkel in het gewoon onderwijs verrekend worden.

1.1. Startbedragen.

De deelbudgetten voor het gewoon en het buitengewoon secundair onderwijs bestaan uit :

- de bedragen (exclusief het vastbenoemd meesters-, vak- en dienstpersoneel) die in de aangepaste begroting 2008 voor het secundair onderwijs voor de werkingsmiddelen ingeschreven zijn;

- 30% van de loonkost van het vastbenoemd meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gemeenschapsonderwijs op 1 juni 2008; 70% wordt buiten beschouwing gelaten (immunisering). De verdeling van deze loonkost gebeurt op basis van de school waaraan dit personeel geaffecteerd is (m.a.w. zoals dit in de betalingsdatabank zit). De immunisering daalt in 2016 tot 40% en wordt vanaf 2017 0%;

- het aandeel van respectievelijk het gewoon onderwijs en het buitengewoon onderwijs in de 40 miljoen euro extra middelen voor het secundair onderwijs. Dit aandeel wordt bepaald op basis van de verhouding van de respectievelijke begrotingskredieten gewoon/buitengewoon onderwijs in de aangepaste begroting 2008.

Volgende bedragen houden we buiten de startbedragen :

- budgettaire gevolgen van CAO-afspraken met betrekking tot het meesters-, vak- en dienstpersoneel in het gemeenschapsonderwijs en in het gesubsidieerd vrij onderwijs;

- de gemeenschapsbijdrage in het kostgeld voor leerplichtige kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben;

- de middelen voor het deeltijds kunstonderwijs van het gemeenschapsonderwijs die in de dotatie van het gewoon secundair onderwijs opgenomen zijn.

1.2. Evolutie van de startbedragen.

De bekomen bedragen worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex en voor 40% aan de evolutie van het totaal aantal punten berekend op basis van het puntengewicht van iedere leerling (onderwijsvorm, studiegebied, type buitengewoon onderwijs).

De bedragen worden jaarlijks vermeerderd met de afvloei van het geïmmuniseerde (70% in 2009, 2012, 2013, 2014 en 2015 en 40% in 2016) meesters-, vak- en dienstpersoneel, ten einde deze middelen niet te laten terugvloeien naar de algemene middelen.

Opmerking : in het buitengewoon onderwijs worden de punten van het GON bij de bepaling van de globale enveloppe niet meegeteld, maar dit gebeurt wèl bij de verdeling van de middelen. Indien ze meegeteld worden, zouden GON-leerlingen immers 2 keer werkingsmiddelen genereren : eenmaal in het gewoon en eenmaal in het buitengewoon onderwijs.

1.3. Verdeling van de deelbudgetten.

1.3.1. Voorafname meerdere levensbeschouwelijke vakken.

Enkel in het gemeenschapsonderwijs en in het officieel gesubsidieerd onderwijs geldt de grondwettelijke verplichting om meerdere levensbeschouwelijke vakken te organiseren. Om de kosten die uit deze verplichting voortvloeien, te vergoeden, wordt per leerling in het officieel onderwijs een bedrag van 4,5% voorafgenomen. Deze voorafname wordt vastgesteld op 4,5% bovenop de 100% basisfinanciering voor een leerling. Omdat in het kleuteronderwijs geen levensbeschouwelijke vakken onderwezen worden, wordt de 4,5% extra voor dit onderwijsniveau niet toegekend.

1.3.2. Voorafname voor vrije keuze.

Het gemeenschapsonderwijs heeft de grondwettelijke verplichting om de vrije keuze te garanderen; de verplichting geldt enkel ten aanzien van het gemeenschapsonderwijs. Enkel de leerlingen uit het gemeenschapsonderwijs komen dus in aanmerking voor de voorafname voor vrije keuze. Deze voorafname wordt vastgesteld op 3% bovenop de 100% basisfinanciering voor een leerling. Voor alle leerlingen van het gemeenschapsonderwijs wordt de voorafname voor vrije keuze toegepast.

1.3.3. De bandbreedte voor leerlingenkenmerken (enkel voor het gewoon onderwijs).

Om scholen aan te zetten een sterk gelijke kansenbeleid te ontwikkelen via een systeem van gedifferentieerde financiering, moeten leerlingenkenmerken gebruikt worden die ongelijk verdeeld zijn in de maatschappij en die meer voorkomen in bepaalde sociale milieus dan in andere. Daarom werd er gekozen voor de volgende indicatoren :

- opleidingsniveau van de moeder

- schooltoelage

- thuistaal

- woonplaats/buurt

Het percentage van het deelbudget dat voor leerlingenindicatoren uitgetrokken wordt, ten opzichte van het totaal van dat deelbudget, noemen we de bandbreedte.

In het deelbudget van het gewoon secundair onderwijs nemen we in 2009, 2010 en 2011 10% voor extra werkingsmiddelen op basis van leerlingenindicatoren. Dit percentage neemt vanaf 2012 jaarlijks toe met 0,125% tot 11% in 2019.

In het secundair onderwijs is 10% van de bandbreedte bestemd voor de indicator buurt en wordt de resterende 90% gelijk over de drie overige indicatoren verdeeld.

Het beschikbare bedrag voor elk van de leerlingenkenmerken wordt verdeeld over de scholen a rato van het aantal leerlingen dat op de betreffende indicator "aantikt". Dat bedrag is niet te beschouwen als een rugzakje voor deze individuele leerling noch als het bedrag dat deze individuele leerling nodig heeft. Een "aantikkende" leerling staat voor een ruimere groep leerlingen die met een bepaalde problematiek wordt geconfronteerd. Afhankelijk van de operationele definitie kan het aantal leerlingen dat aantikt immers variëren. Wat essentieel is, is het bedrag dat de school aan werkingsmiddelen genereert. Het budget dat per leerlingenindicator op schoolniveau ontstaat moet aan het profiel van de school beantwoorden.

Voor het buitengewoon onderwijs wordt er geen rekening gehouden met leerlingenindicatoren.

Op elk van de leerlingenindicatoren wordt een aftopping toegepast. Als er voor een indicator in een school meer leerlingen dan een bepaalde norm aantikken, wordt dit aantal voor deze indicator afgetopt. De aftopping gebeurt op het procentuele aandeel van aantikkende leerlingen gelijk aan het Vlaamse gemiddelde plus tweemaal de standaardafwijking.

1.3.4. Berekening van de basisfinanciering.

Het budget na de voorafnames voor objectieve verschillen en de bandbreedte voor leerlingenindicatoren wordt lineair verdeeld over het totale aantal punten. Op die manier ontstaat een basisgeldwaarde per punt. Wat een leerling in het financieringssysteem genereert is het product van de basisgeldwaarde met het aantal punten van het onderwijsniveau, onderwijsvorm en studiegebied. Dit is met andere woorden de verrekening van de schoolkenmerken.

1.4. Eindresultaat.

Een leerling genereert dan :

- de geldwaarde per punt vermenigvuldigd met het puntengewicht van het onderwijsniveau, onderwijsvorm, studiegebied waarin hij/ zij zit;

- plus eventueel de geldwaarde per leerling voor levensbeschouwelijke vakken;

- plus eventueel de geldwaarde per leerling voor vrije keuze;

- plus eventueel de geldwaarde per leerling voor leerlingenindicatoren die op hem/ haar van toepassing zijn.

Voor het gemeenschapsonderwijs bedragen de als dotatie uit te betalen werkingsmiddelen de som van bovenstaande totalen voor alle scholen van het gemeenschapsonderwijs, tot en met 2015 verminderd met 30%, in 2016 met 60% en in 2017 met 100% van de resterende (geraamde) loonkost van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel, aangezien deze loonkost door het departement rechtstreeks betaald wordt.

In CAO VIII werden maatregelen voor het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het secundair gemeenschapsonderwijs en van het vrij gesubsidieerd secundair onderwijs opgenomen. De bedragen die voor de uitvoering van deze maatregelen nodig waren, werden aan de werkingsmiddelen toegevoegd. Ze worden jaarlijks volgens de coëfficiënt A2 aangepast. Deze bedragen zijn dan ook toegevoegd aan de kredieten die in de begroting worden ingeschreven, aangezien ze samen met de werkingsmiddelen worden uitbetaald.

Voor het secundair gemeenschapsonderwijs wordt er vanaf het begrotingsjaar 2009 een transitiefonds ten bedrage van 1.250.000 euro opgebouwd. Deze middelen worden toegevoegd aan de dotatie om de som van alle verliezen van de secundaire scholen in het gemeenschapsonderwijs op te vangen. Jaarlijks wordt dit fonds met 125.000 euro afgebouwd over een periode van tien jaar (tot 2018). Het gemeenschapsonderwijs verdeelt deze middelen over zijn scholengroepen.

Voor het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs is er voor het begrotingsjaar 2009 een transitiefonds van 56.000 euro. Deze middelen worden toegevoegd aan de dotatie om de som van alle verliezen van de gemeenschapsscholen voor buitengewoon secundair onderwijs op te vangen. Het gemeenschapsonderwijs verdeelt deze middelen over zijn scholengroepen. In 2010 bedraagt het transitiefonds 19.000 euro.

2. Puntengewicht.

Het puntengewicht per leerling is als volgt vastgesteld.

1° voltijds secundair onderwijs :

a) eerste graad 

16 

b) tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs, de studiegebieden decoratieve technieken, fotografie, handel, kleding, lederbewerking, lichaamsverzorging, personenzorg, sport, toerisme en voeding 

18 

c) tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs, de studiegebieden auto, bouw, chemie, glastechnieken, grafische communicatie en media, hout, juwelen, koeling en warmte, land- en tuinbouw, maritieme opleidingen, maatschappelijke veiligheid, mechanica-elektriciteit, muziekinstrumentenbouw, optiek, orthopedische technieken, riet- en vlechtwerk, schoeisel, tandtechnieken en textiel  

22 

d) tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs (met inbegrip van de ASO-studierichtingen die tot het studiegebied sport behoren)  

16 

e) tweede en derde graad kunstonderwijs, de studiegebieden ballet en podiumkunsten 

20 

f) tweede en derde graad kunstonderwijs, het studiegebied beeldende kunsten 

18 

g) vierde graad en verpleegkunde HBO 

20 

2° deeltijds beroepssecundair onderwijs  

10 

3° buitengewoon secundair onderwijs :

a) type basisaanbod, 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 9 

34 

b) type 4  

39 

4° integratietoelagen :

a) gedeeltelijke en permanente integratie 

b) volledige en permanente integratie van leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs type basisaanbod, 1  

c) volledige en permanente integratie van leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs type 4, 6 en 7 en met een bijkomende mentale handicap  

d) volledige en permanente integratie van normaal begaafde leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs type 3 of 9 

e) volledige en permanente integratie van normaal begaafde leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs type 4 of 7  

f) volledige en permanente integratie van normaal begaafde leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs type 6  

14 

3. Datum waarop de leerlingen worden geteld.

3.1. Voor alle structuuronderdelen, uitgezonderd Se-n-Se en HBO-verpleegkunde, van scholen die niet in opbouw of verplichte afbouw (ingevolge het niet bereiken van de rationalisatienorm) zijn.

Tellingsdatum is 1 februari (of de eerstvolgende lesdag erna indien 1 februari een vrije dag is) van het voorafgaand schooljaar.

3.2. Voor structuuronderdelen Se-n-Se van scholen die niet in opbouw of verplichte afbouw zijn.

Indien een structuuronderdeel zowel in het eerste als in het tweede semester van het voorafgaand schooljaar wordt aangeboden, dan is de tellingsdatum hetzij 15 januari hetzij 1 juni (of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum een vrije dag is) van dat schooljaar, in die zin dat als datum die met het hoogst aantal regelmatige leerlingen wordt genomen. Elke regelmatige leerling wordt voor een volle eenheid verrekend. Onder "aanbod van een structuuronderdeel" wordt verstaan dat de school inschrijvingen heeft opengesteld, zonder dat er effectief inschrijvingen of behoud van inschrijvingen moet zijn geweest.

Indien een structuuronderdeel, als beleidskeuze van de school, enkel in het eerste of het tweede semester van het voorafgaand schooljaar wordt aangeboden, dan is de tellingsdatum hetzij 15 januari hetzij 1 juni (of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum een vrije dag is) van dat schooljaar, naargelang van het geval. Elke regelmatige leerling wordt voor een halve eenheid verrekend.

Indien voor een leerling een structuuronderdeel Se-n-Se wordt gespreid over het dubbele van de gebruikelijke studieduur, dan wordt die leerling niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke studieduur; tenzij die spreiding gebeurt om medische reden.

3.3. Voor het structuuronderdeel HBO-verpleegkunde van scholen die niet in opbouw of verplichte afbouw zijn.

Tellingsdata zijn 15 januari en 1 juni (of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum een vrije dag is) van het voorafgaand schooljaar. Op elke datum wordt elke regelmatige leerling, cursist genoemd, voor een halve eenheid verrekend.

Indien voor een leerling een module van het structuuronderdeel HBO-verpleegkunde wordt gespreid over het dubbele van de gebruikelijke studieduur, dan wordt die leerling niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke studieduur; tenzij die spreiding gebeurt om medische reden.

3.4. Voor scholen die in opbouw of verplichte afbouw zijn.

Tellingsdatum is 1 oktober (of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum een vrije dag is) van het betrokken schooljaar.

Onder "in opbouw" wordt verstaan : een nieuwe school die tijdens aaneensluitende schooljaren haar aanbod uitbreidt met één of meer leerjaar gelijktijdig; onder "in opbouw" worden evenwel niet verstaan :

- de uitbreiding van een middenschool bestaande uit de eerste graad, respectievelijk de eerste en de tweede graad met de tweede graad, respectievelijk de derde graad;

- de oprichting binnen eenzelfde leerjaar van een nieuwe onderwijsvorm naast een reeds bestaande onderwijsvorm;

- de oprichting van een eerste leerjaar B naast een reeds bestaand eerste leerjaar A en omgekeerd;

- de oprichting van een eerste leerjaar naast een reeds bestaand tweede leerjaar binnen de eerste graad;

- de oprichting binnen eenzelfde leerjaar en onderwijsvorm van een andere onderverdeling;

- de oprichting van een derde leerjaar van de derde graad;

- de oprichting van een eerste leerjaar van de eerste graad in een school bestaande uit de tweede en de derde graad;

- de oprichting van een tweede leerjaar van de eerste graad in een school bestaande uit een eerste leerjaar van de eerste graad en de tweede en de derde graad;

- de oprichting van een onthaaljaar.

4. Betaling van de werkingstoelagen.

De werkingstoelagen worden in twee gedeelten uitbetaald nl. een voorschot en een saldo.

4.1. Voorschot.

Het voorschot dat de helft van de totale werkingstoelagen per schooljaar bedraagt, wordt in de loop van de maand januari uitbetaald. Het wordt berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen of internen op 1 februari van het voorgaande schooljaar (zie evenwel ook rubriek 3).

4.2. Saldo.

Het saldo dat gelijk is aan de verschuldigde werkingstoelagen verminderd met het reeds uitbetaald voorschot, wordt in de loop van de maand juni uitbetaald.

5. Nascholingsmiddelen: bijzondere maatregel met betrekking tot het begrotingsjaar 2015 (= nascholingsbudgetten schooljaar 2014-2015)

Naast de werkingsbudgetten vindt er in 2015 ook een ingreep plaats op de nascholingsmiddelen voor het secundair onderwijs, nl. een vermindering met 0,8% t.o.v. het budget van 2014.

Vanaf het jaar 2016 worden de bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.

6. Bijlagen.