Het werkingsbudget in het basisonderwijs

  • referentie
    BaO/98/5
  • publicatiedatum
    27/07/1998
  • datum laatste wijziging
    26/06/2015
  • wettelijke basis
    Het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 : de artikelen 76 t.e.m. 87 en 154, zoals gewijzigd door het decreet van 27 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft.
  • contactpersoon
    Elke Defranc, 02 553 92 33
  • contactpersoon
    Kristien Heylen, 02 553 92 36

Het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015 bevat een aantal besparingsmaatregelen die, onder meer, betrekking hebben op de vaststelling van de werkingsbudgetten in gewoon en het buitengewoon basisonderwijs voor het schooljaar 2014-2015. In het kader van dit ontwerp van decreet wordt, onder voorbehoud van definitieve goedkeuring, in het gewoon basisonderwijs het globale werkingsbudget verminderd met 2,24% en in het buitengewoon basisonderwijs met 2,26%. De verrekening van deze maatregel zal gebeuren via het saldo dat in de loop van de maand juni 2015 wordt toegekend. In kader van hetzelfde ontwerp van decreet, wordt ook de evolutie van de bandbreedte aangepast.

De instellingen ontvangen voor het begrotingsjaar 2015 0,7 % minder nascholingsmiddelen. Vanaf het jaar 2016 worden de bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.

1. Het nieuwe financieringssysteem.

De overheid heeft de verantwoordelijkheid voldoende geld te investeren in kwaliteitsonderwijs voor alle leerlingen en om te zorgen voor een billijke en voldoende financiering van het leerplichtonderwijs.

Om deze opdracht waar te maken zijn de werkingsmiddelen voor het basisonderwijs vanaf het begrotingsjaar 2009 structureel verhoogd met 85,234 miljoen euro.

Het totale werkingsbudget bedraagt hierdoor voor het basisonderwijs vanaf het begrotingsjaar 2009 ongeveer 453 miljoen euro.

Naast deze zeer sterke verhoging van de werkingsbudgetten is de wijze van verdeling van de werkingsmiddelen grondig gewijzigd.

Met de ongelijke financiering van de scholen wordt komaf gemaakt. Het leerplichtonderwijs wordt aldus gefinancierd zoals het hoort: gelijke financiële behandeling van elke leerling met gelijke noden en van elke school in eenzelfde situatie.

Het nieuwe mechanisme is gebaseerd op een relevante selectie van kenmerken van leerlingen en scholen. De kenmerken van leerlingen zijn verbonden met hun sociaal-economische en culturele milieu, die van de school zijn bijvoorbeeld het onderwijsniveau en de grootte.

De grote principes voor de verdeling van de middelen zijn gelijk voor het gehele leerplichtonderwijs met dien verstande dat binnen het gewoon onderwijs de middelen worden verdeeld op basis van schoolkenmerken, objectieve verschillen en leerlingenkenmerken en dat binnen het buitengewoon onderwijs de middelen worden verdeeld op basis van schoolkenmerken en objectieve verschillen.

Let wel: het gaat enkel om een andere manier van verdelen van middelen, het buitengewoon basisonderwijs heeft van de bijkomende middelen van 85,234 mio euro haar aandeel gekregen zijnde 6,910 mio euro.

1.1. Objectieve verschillen.

Bij de verdeling van de middelen worden de 'objectieve verschillen' betrokken. Tussen de netten zijn er objectieve verschillen die de toekenning van extra werkingsmiddelen verantwoorden.

1.1.1. Neutraliteit.

Het Gemeenschapsonderwijs draagt de grondwettelijke plicht om neutraal onderwijs te bieden in het Nederlandse taalgebied en het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

Artikel 24, §1, tweede lid en derde lid van de Grondwet is hiervan de basis:

Aangezien alleen het Gemeenschapsonderwijs de plicht heeft instellingen die de vrije keuze verzekeren in stand te houden of op te richten, dient aan dat net een compensatie te worden toegekend.

De kwantificering van dit verschil wordt vastgelegd op 3%.

1.1.2. Verplicht aanbieden van meerdere levensbeschouwelijke vakken.

Er zijn momenteel 6 erkende godsdiensten (anglicaanse, islamitische, Israëlitische, katholieke, orthodoxe, en protestants-evangelische). Personen die omwille van hun religieuze of morele overtuiging bezwaren hebben tegen het volgen van één van de aangeboden cursussen, kunnen een vrijstelling krijgen.

Scholen van het vrij onderwijs bieden doorgaans één keuzemogelijkheid aan, onder de vorm van één van de erkende godsdiensten, of onder de vorm van het vak cultuurbeschouwing. Sommige bieden meer dan één mogelijkheid aan, maar zijn daartoe niet verplicht.

De verplichting tot het aanbieden van meerdere levensbeschouwelijke vakken, die dus rust op de scholen van het gemeenschapsonderwijs en van het officieel gesubsidieerd onderwijs, brengt bijkomende kosten mee op het vlak van omkadering, infrastructuur en werkingsmiddelen.

Op infrastructureel vlak betekent deze verplichting dat er bijkomende nood is aan lokalen, omdat deze keuzemogelijkheid tegelijkertijd aan meerdere leerlingengroepen moet worden aangeboden. Hiervan afgeleid zijn er bijkomende kosten op het vlak van energie, onderhoud en leermiddelen.

Alle elementen in acht genomen werd gekozen voor een objectief verschil van 4,5% voor het verplicht aanbieden van verschillende levensbeschouwingen naast elkaar.

1.2. Leerlingenkenmerken: enkel voor het gewoon basisonderwijs.

1.2.1. Waarom leerlingenkenmerken?

De grote vernieuwing van het systeem is dat er vanaf nu middelen worden toegekend op basis van leerlingenkenmerken.

Kansen van leerlingen op een succesvolle schoolloopbaan hangen sterk samen met het sociaal milieu waarin ze leven. Verklaringen daarvoor zijn onder meer de materiële situatie, de ongelijke toegang tot cultuurgoederen, de afstand tussen de thuiscultuur en de schoolcultuur, de kloof tussen de thuistaal en de taal van de klas, de verschillen in onderwijsondersteuning die de ouders bieden. We slagen er niet in de kloof tussen de wereld van thuis en de wereld van de school te dichten. En we doen het op dat vlak minder goed dan andere landen binnen de Organisatie voor Economische en Sociale Ontwikkeling (OESO).

De middelen voor de werking worden nu deels gebaseerd op de kenmerken van het sociaal milieu van de leerlingen die sterk samenhangen met hun schoolloopbaan. De reguliere financiering van scholen bepalen op basis van leerlingenkenmerken is omwille van verschillende redenen belangrijk.

In de eerste plaats willen we de sociale mix in scholen bevorderen. Leerlingen uit bevoorrechte milieus zijn aantrekkelijker voor scholen dan leerlingen uit sociaal achtergestelde milieus. Ze leren doorgaans gemakkelijker en zetten betere leerprestaties neer, waardoor ze het imago van de school gunstig beïnvloeden. Scholen met sterke leerlingen slagen er aldus in om de sterkste leerlingen aan te trekken en kwaliteitsonderwijs te verstrekken, terwijl scholen met een kansarm publiek eerder leerlingen uit kansarme milieus aantrekken en de kwaliteit van hun onderwijs onder druk staat. Door kansarme leerlingen zwaarder te laten doorwegen in de financiering van de scholen maken we ze ook aantrekkelijker voor de scholen. Immers de scholen worden extra ondersteund om de kwaliteit van hun onderwijs hoog te houden. Om de concentratie van kansarme leerlingen in de scholen te ontmoedigen, is er een aftoppingssysteem uitgewerkt. Dit komt erop neer dat scholen met een hoog percentage leerlingen uit sociaal achtergestelde milieus niet voor al die leerlingen extra financiering krijgen: als het percentage leerlingen dat scoort op één van de indicatoren twee standaardafwijkingen boven het gemiddelde ligt, wordt de financiering berekend op maximaal dat gemiddelde percentage en twee standaardafwijkingen.

Een tweede reden om extra te investeren in scholen met kansarme leerlingen is het garanderen van het recht op kwaliteitsonderwijs van alle jongeren. Bij jongeren uit achtergestelde milieus is vaak een grotere inspanning nodig om eenzelfde kwalificatie te halen dan bij hun leeftijdgenoten uit welgestelde milieus. Dat komt omdat ze van thuis minder cultureel en sociaal kapitaal meekrijgen die hun slaagkansen in het onderwijs verhogen. Laaggeschoolde ouders hebben het bijvoorbeeld veel moeilijker om hun kinderen te begeleiden in hun schoolloopbaan. Zij hanteren niet het taalgebruik dat van kinderen op school verwacht wordt en beschikken evenmin over netwerken en informatie die hun kinderen helpen bij problemen. Gezinnen met een laag inkomen kunnen hun kinderen minder comfort bieden zoals een aparte studeerruimte, boeken, leerrijke nevenactiviteiten, PC en internet. . Migranten moeten dikwijls een taal- en cultuurkloof overbruggen. Door de reguliere financiering van de scholen te differentiëren volgens de kenmerken van de leerlingen willen we scholen die relatief meer inspanningen moeten doen om de leerkansen van al hun leerlingen te maximaliseren, extra ondersteunen. De bijkomende middelen zijn niet bedoeld om een remediëringsplan voor kansarme leerlingen uit te werken, maar moeten in klas- en schoolverband vanuit een doordacht schoolbeleid worden ingezet. Met méér werkingsmiddelen kunnen scholen zich 'breder' profileren, met bijvoorbeeld een aanvullend sociaal-cultureel aanbod of bijkomende leerlingenbegeleiding, kunnen ze extra investeren in de nascholing van hun leerkrachtenteams of in sociale tolken die de ouderbetrokkenheid kunnen stimuleren.

En tenslotte hebben scholen met veel kansarme leerlingen meer personeel in dienst, deze scholen krijgen immers wegens hun leerlingenprofiel bijkomende SES-lestijden. Meer personeel betekent uiteraard dat er meer werkingskosten zijn voor de school.

1.2.2. Welke leerlingenkenmerken.

Er is gezocht naar een set van stabiele en robuuste indicatoren die de samenhang van onderwijskansen voor jongeren en hun sociaal milieu goed vatten. We baseerden ons daarvoor op het sociaal-wetenschappelijk en onderwijskundig onderzoek van de laatste decennia en bevroegen een aantal wetenschappers met ervaring in onderzoek naar onderwijskansen, schoolloopbanen en leerprestaties.

Uiteindelijk is gekozen voor volgende kenmerken:

Kenmerken  

Indicatoren  

  

De culturele bagage van de leerling  

  

Hoogst behaalde opleidingsniveau van de moeder  

De financiële draagkracht van het gezin van de leerling   

  

Het ontvangen van een schooltoelage  

Het taalkundig en cultureel kapitaal van het gezin van de leerling  

  

Thuistaal van de leerling  

Het sociaal kapitaal van het gezin van de leerlingen   

  

De woonplaats van de leerling  

OPLEIDING VAN DE MOEDER: deze indicator staat voor het geheel aan kennis, vaardigheden en attitudes. Het is een indicator van de mate waarin de thuiscultuur aansluit bij de schoolcultuur.

SCHOOLTOELAGE: deze indicator is gebaseerd op gezinsinkomen en geeft een aanduiding van de financiële draagkracht van het gezin en dus ook van het pedagogisch (thuis)comfort: tijd, studieruimte, koopkracht voor goederen die het leren bevorderen...

TAAL: welke taal wordt er thuis meestal gesproken en verschilt van de schooltaal. Dit is een indicator van commmunicatie- en leermogelijkheden van de leerling.

WOONPLAATS, de sociologische kenmerken van de buurt waar de leerling woont. Dit is een indicator van sociaal kapitaal: rolmodellen, buurtnetwerken edm.

1.2.3. Bedrag van de leerlingenkenmerken.

Van het totale werkingsbudget gewoon basisonderwijs wordt 14% voorafgenomen voor de berekening van het bedrag aan leerlingenkenmerken. Voor begrotingsjaren 2014 en 2015 bedraagt dit percentage 14,5625%. Vanaf het begrotingsjaar 2016 stijgt dit percentage jaarlijks met 0,1875% tot 15,5% vanaf 2020.

Dit budget wordt gelijkmatig verdeeld over de 4 leerlingenkenmerken

Het totaal bedrag per kenmerk wordt gedeeld door het aantal in aanmerking komende leerlingen voor dat kenmerk, met dien verstande dat er een correctie wordt toegepast in het geval er zeer veel leerlingen zijn in een school die scoren op dat bepaalde kenmerk. Er wordt immers een maximum aantal leerlingen vastgelegd dat kan scoren op een bepaald kenmerk.

1.2.4. Vaststellen van de leerlingenkenmerken.

Voor het vaststellen van de leerlingenkenmerken wordt er enerzijds gewerkt met verklaringen op eer wat betreft het opleidingsniveau van de moeder en de vaststelling van de thuistaal van de leerling (zie bijlage).

Wat betreft de studietoelagen wordt er gewerkt met gegevens uit de databanken van het Agentschap Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen.

Wat betreft de buurt wordt gewerkt met de woonplaats van de leerling en de statistische sectoren zoals vastgelegd door de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (ADSEI).

1.3. Schoolkenmerken.

Het grootste deel van het budget wordt toegekend op basis van de zogenaamde schoolkenmerken: nl. het niveau en het type.

De schoolkenmerken zijn de volgende:

Aanbieden van kleuteronderwijs.

Aanbieden van lager onderwijs.

Aanbieden van kleuteronderwijs niet type 4

Aanbieden van kleuteronderwijs wel type 4

Aanbieden van lager onderwijs niet type 4

Aanbieden van lager onderwijs wel type 4

Aan elk van deze kenmerken is een wegingscoëfficiënt en een puntenwaarde toegekend. Deze zijn als volgt:

Schoolkenmerk  

Wegingscoëfficiënt  

Puntengewicht  

Aanbieden van kleuteronderwijs.  

88,48%  

6  

Aanbieden van lager onderwijs.  

100%  

8  

Aanbieden van kleuteronderwijs niet type 4  

94,5%  

9  

Aanbieden van kleuteronderwijs wel type 4  

94,5%  

11  

Aanbieden van lager onderwijs niet type 4  

100%  

13  

Aanbieden van lager onderwijs wel type 4  

100%  

15  

Voor het buitengewoon basisonderwijs wordt ook nog rekening gehouden met de GON-leerlingen voor de berekening van de integratietoelage.

Geïntegreerd onderwijs - gedeeltelijk en permanente integratie  

1,1 punten  

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie voor leerlingen met een attest1 van het buitengewoon onderwijs type basisaanbod en type 2  

1,1 punten  

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie van leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs type 4, 6 of 7 met een bijkomende mentale handicap  

1,1 punten  

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie van normaal begaafde leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs type 3 of 9 

4,4 punten  

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie van normaal begaafde leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs type 4 of 7   

5,5 punten  

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie van normaal begaafde leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs type 6   

8,8 punten  

1.4. Datum uitbetaling.

De werkingsbudgetten worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 % van de werkingsmiddelen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.

De middelen ontvangen vóór 1 juli van jaar x, zijn middelen die slaan op schooljaar x-1, x.

- (1): “attest” moet begrepen worden in termen van de nieuwe verslaggeving voor GON zoals bedoeld in het M-decreet: inschrijvingsverslag, verslag of gemotiveerd verslag.