U bent hier: Onderwijs en Vorming > Gelijke onderwijskansen > FAQ > Secundair onderwijs

Vragen en antwoorden voor het secundair onderwijs

Update: 8 februari 2012

Opgelet: de antwoorden gelden tot 1.09.2012. Dan gelden nieuwe regels voor inschrijving van kinderen in een school. U vindt hier spoedig vragen en antwoorden over de nieuwe regeling.

 

1. Vragen met betrekking tot het recht op inschrijving


Wanneer is een leerling effectief ingeschreven?

Als de leerling voldoet aan de toelatingsvoorwaarden en de ouder(s) van de leerling instemmen met het schoolreglement en het pedagogisch project. (Voor leerlingen vanaf 12 jaar of ouder dient de schoolkeuze wel te gebeuren in samenspraak met de leerling.) dan is de leerling ingeschreven. Ouders die niet aanwezig kunnen zijn bij de inschrijving kunnen de instemming met het schoolreglement en pedagogische project kenbaar maken dankzij een volmacht die ze met een familielid of derden meegeven. De school bepaalt zelf hoe de instemming moet gegeven worden. Het moet evenwel voor iedere ouder of leerling hetzelfde zijn. In het belang van de school en de ouders is er best een bewijsstuk van de instemming. (Vb. Een handtekening laten plaatsen op het inschrijvingsregister.

 

Wat bedoelt men precies met voldoen aan de toelatingsvoorwaarden?

Om ingeschreven te kunnen worden en aanspraak te kunnen maken op het inschrijvingsrecht moet men voldoen aan de wettelijk bepaalde toelatingsvoorwaarden. Het is niet noodzakelijk om aan de voorwaarden te voldoen op het moment van inschrijving doch wel bij de start van het schooljaar en desgevallend rekening houdend met het beslissingsmoment van de toelatingsklassenraad. In het gewoon secundair onderwijs betekent dit ondermeer beschikken over een getuigschrift basisonderwijs voor de toegang tot het eerste jaar of het geslaagd zijn in het onderliggend jaar met een A- of een B-attest. Een B-attest betekent dan evenwel dat een leerling mag overgaan naar een hoger jaar maar dat de leerling welbepaalde studierichtingen en/of onderwijsvormen niet mag volgen. Leerlingen die niet voldoen aan deze van rechtswege geldende toelatingsvoorwaarden krijgen echter in sommige gevallen mits gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad toch de mogelijkheid om als regelmatige leerling ingeschreven te worden. De beslissing van de toelatingsklassenraad kan niet door de ouders naast zich neer worden gelegd. Als in de bovenvermelde gevallen een ongunstige beslissing wordt uitgesproken kan er geen sprake zijn van een inschrijving als regelmatige leerling en kan er tevens ook geen aanspraak gemaakt worden op het inschrijvingsrecht. Een inschrijving als vrije leerling is steeds mogelijk als men niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet doch moet de school hiermee akkoord gaan. Een school krijgt voor een vrije leerling immers geen financiering en de leerling ontvangt geen studiebekrachtiging. Een gedetailleerd overzicht van alle toelatingsvoorwaarden voor het voltijds gewoon secundair onderwijs vindt u in omzendbrief SO64.

 

Wat is het verschil tussen inschrijving en toelating?

Tijdens de voorziene inschrijvingsperiode(s) van de betrokken school, kunnen de ouders gebruik maken van hun recht op inschrijving. Het kind moet echter maar voldoen aan de toelatingsvoorwaarden op het ogenblik van de instap of het begin van het schooljaar. Het is niet op het moment van de inschrijving dat aan de toelatingsvoorwaarden moet voldaan zijn. In een aantal gevallen kan dat zelfs niet. Een leerling die zich op de open deurdagen van mei wil inschrijven voor het eerste jaar van het gewoon secundair onderwijs beschikt op dat moment bijvoorbeeld nog niet over het getuigschrift basisonderwijs.

 

Vanaf wanneer kan je inschrijven?

Een inschrijving voor een bepaald schooljaar kan slechts ten vroegste starten op de eerste schooldag van september van het voorafgaande schooljaar. Daardoor is het onmogelijk om verschillende schooljaren voordien in een school in te schrijven.

 

Moet een school beschikken over een inschrijvingsregister?

Ja, elke school dient te beschikken over een inschrijvingsregister. Met een school bedoelen we elke pedagogische entiteit die beschikt over een zelfstandig instellingsnummer.

Het inschrijvingsregister is het beste bewijsstuk dat de inschrijvingen effectief chronologisch en correct verlopen. Scholen die dat wensen, kunnen het model van inschrijvingsregister ( één voor het gewoon en één voor het buitengewoon secundair onderwijs) gebruiken dat terug te vinden is als bijlage bij de omzendbrief gelijke onderwijskansen (SO/2005/07).

 

Kan de school nog een reservatielijst aanleggen?

Er kunnen geen reservatielijsten, wachtlijsten of andere lijsten meer gehanteerd worden. Alle inschrijvingen moeten geregistreerd worden (zie ook omzendbrief). (Vb. De school mag geen lijst meer hanteren met namen van leerlingen die zich komen aanbieden vóór de inschrijvingsperiode en voor wie al voortijdig een plaats wordt gereserveerd.)

Inschrijvingen zijn ofwel gerealiseerde inschrijvingen (de ouders gaan akkoord met het pedagogisch project en het schoolreglement en er zijn geen door het decreet toegestane redenen tot weigering van toepassing op de leerling) ofwel geweigerde inschrijvingen (ouders zijn wel akkoord met het pedagogisch project en het schoolreglement maar één van de decretaal omschreven weigeringsgronden is van toepassing). De ouders ontvangen dan een schriftelijke motivering bij weigering. Deze motivering bevat de datum en uur van inschrijving. Leerlingen die niet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden of waarvan de ouders niet instemmen met het schoolreglement, kunnen geen aanspraak maken op het inschrijvingsrecht.

Let op: naast een inschrijvingsregister kan een school ook nog een aanmeldingsregister hanteren wanneer de school werkt met een aanmeldingsprocedure (zie hoofdstuk “Vragen m.b.t. de experimentele aanmeldingsprocedure”)

 

Moet iedere leerling ieder schooljaar opnieuw ingeschreven worden in dezelfde school?

Hoelang blijft inschrijving geldig? Neen, eens een leerling ingeschreven is in een school, blijft de leerling daar ingeschreven tot de ouders (of de leerling zelf, indien deze meerderjarig is) hem/haar uitschrijven of tot het ogenblik dat de school als gevolg van een procedure van uitsluiting, de leerling uitschrijft. Een school kan wel, indien dit is opgenomen in het schoolreglement, bepalen dat elke leerling elk jaar bevestigt in welk structuuronderdeel hij of zij het volgende jaar zal aanvatten. Indien dit niet gebeurt, kan de inschrijving echter niet door de school worden beëindigd.

 

Kan een ouder zijn/haar kind telefonisch inschrijven?

Neen, want de ouder moet zich bij inschrijving schriftelijk akkoord verklaren Inschrijvingen kunnen doorlopen bij een overgang van een autonome middenschool naar een autonome bovenbouw.

 

Kunnen inschrijvingen doorlopen van de ene school naar de andere?

Inschrijvingen kunnen doorlopen bij een overgang van een autonome middenschool naar een autonome bovenbouw.

Als middenschool en bovenbouw op een zelfde campus zijn gelegen doch een verschillend instellingsnummer hebben en dus twee onderscheiden scholen vormen dan is een overstap van eerste graad naar tweede graad geen nieuwe inschrijving indien de school dit zo bepaalt in haar schoolreglement. De ouders moeten met andere woorden dus niet opnieuw instemmen met het schoolreglement en het pedagogisch project en de inschrijving loopt gewoon door.

Inschrijvingen kunnen NIET doorlopen bij de overgang van een basisschool naar een secundaire school. Net zomin als bij een overgang tussen twee autonome eerstegraadscholen of twee autonome bovenbouwscholen. Zelfs niet indien deze scholen zich op dezelfde campus bevinden.

 

Wanneer kan een school leerlingen weigeren?

  • Wanneer de leerling bij de start van het schooljaar en desgevallend rekening houdend met het beslissingsmoment van de toelatingsklassenraad niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het onderwijsniveau, de studierichting en het leerjaar waarin hij/zij zich heeft ingeschreven kan de inschrijving worden ontbonden.
  • De inrichtende macht kan elke bijkomende inschrijving weigeren wanneer omwille van materiële omstandigheden deze bijkomende inschrijving tot gevolg heeft dat de vooropgestelde maximumcapaciteit wordt overschreden (vol).
  • Een inrichtende macht kan de inschrijving weigeren in de school waar een ex-leerling het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar definitief uitgesloten werd.
  • Sommige scholen van het gewoon secundair onderwijs kunnen gedurende het schooljaar de inschrijving van een leerling, die omwille van een definitieve uitsluiting van school verandert weigeren. De weigering kan enkel volgens criteria die vooraf afgesproken zijn binnen het lokaal overlegplatform.
  • Een laatste weigeringsgrond heeft te maken met leerlingen die specifieke noden hebben op het vlak van onderwijs, therapie en verzorging (leerlingen die volgens een inschrijvingsverslag georiënteerd zijn naar het buitengewoon onderwijs) en die in een school voor gewoon onderwijs wensen in te schrijven. De leerling wordt ingeschreven onder ontbindende voorwaarde en de inrichtende macht zal dan moeten aantonen dat de draagkracht van de school onvoldoende is om tegemoet te komen aan de specifieke noden van de leerling inzake onderwijs, therapie en verzorging.

 

Wanneer is een school ‘vol’?

De overheid legt hiervoor geen normen op, bepaalt geen klasgrootte en doet geen uitspraak over het al dan niet vol zijn van een school. De inrichtende macht kan autonoom haar maximale opvangcapaciteit bepalen en bepaalt ook autonoom op welk niveau die maximumcapaciteit bepaald wordt: school, vestigingsplaats, leerlingengroep, enz… .

In geval de school een maximumcapaciteit vastlegt en deze hanteert om leerlingen te weigeren, moet dat consequent toegepast worden. Hoewel het decreet geen deadline bepaalt, is het logisch dat een maximumcapaciteit wordt vastgelegd vóór de inschrijvingsperiode van start gaat. Het is ook logisch dat de maximumcapaciteit opgenomen wordt in het schoolreglement.

De maximumcapaciteit kan ieder (school)jaar gewijzigd worden maar het is niet opportuun dat tijdens de inschrijvingsperiode zelf nog te doen, tenzij om de capaciteit te verhogen. De school moet dan wel de volgorde van het inschrijvingsregister respecteren.

 

Wat betekent "consequente toepassing" bij weigering?

Consequente toepassing bij weigering betekent dat: een secundaire school systematisch elke nieuwe leerling weigert vanaf de datum dat de op voorhand afgesproken maximumcapaciteit wordt bereikt. De school kan dit doen op het niveau van de school, de vestigingsplaats, een studiegebied of een administratieve groep. De school zal de bewijslast dienen te leveren waarom een leerling geweigerd wordt.

Dat betekent dat het niet kan dat een school een leerling weigert omwille van volzet zijn, maar de volgende leerling die zich aanbiedt wel inschrijft. Die consequente toepassing wordt desgevallend getoetst in de commissie inzake leerlingenrechten.

 

Kan weigeren omwille van het overschrijden van de maximumcapaciteit op het niveau van de klas bekeken worden?

De inrichtende macht kan elke bijkomende inschrijving in de school, in een vestigingsplaats, studiegebied of administratieve groep in het secundair onderwijs weigeren omwille van het overschrijden van de maximumcapaciteit.

Indien een administratieve groep uit drie klassen bestaat dan kan er niet voor één klas geweigerd worden.

 

Kan weigeren in het buitengewoon onderwijs op het niveau van het type bekeken worden?

Voor het buitengewoon secundair onderwijs is een weigering wegens het bereiken van maximumcapaciteit mogelijk op niveau van een opleidingsvorm, een type, een administratieve groep en een pedagogische eenheid. Binnen opleidingsvorm 3 kan eveneens geweigerd worden op het niveau van een opleiding en naar analogie van het gewoon secundair kan binnen opleidingsvorm 4 geweigerd worden op het niveau van het studiegebied. De inrichtende macht van de instelling voor buitengewoon secundair onderwijs beslist welk niveau vol wordt verklaard.

Een school voor buitengewoon onderwijs kan geen leerling weigeren die over een attest beschikt voor een type dat in de school aangeboden wordt, tenzij dat type of de school vol is.

Voor het buitengewoon secundair onderwijs dient rekening gehouden te worden met het aanbod van de school wat de types betreft die ze in de verschillende opleidingsvormen opnemen (tot een bepaalde opleidingsvorm worden niet steeds alle types toegelaten die op basis van het KB van 28 juni 1978 voorzien zijn).

 

Kan een leerling nog ingeschreven worden ondanks het overschrijden van de maximumcapaciteit?

Voor welbepaalde categorieën van leerlingen is inschrijven ondanks het bereiken van de maximumcapaciteit nog steeds mogelijk. Het gaat hierbij om volgende leerlingen:

  • een leerling in het buitengewoon onderwijs die opgenomen is in een internaat verbonden aan een school voor buitengewoon onderwijs;
  • een leerling in het gewoon onderwijs die deelneemt aan een project OETC.

Deze afwijkingsmogelijkheid is geen verplichting en kan voor alle categorieën van leerlingen of voor één welbepaalde categorie. De inrichtende macht (I.M.) kan dit zelf beslissen. Een I.M. die hiervan gebruik wenst te maken, neemt dit op in het schoolreglement zodat de ouders hiervan op de hoogte kunnen zijn.

Wat met leerlingen die inschrijven in verschillende scholen, vooral als mijn school volzet is en een leerling blijkt bij het begin van het schooljaar niet te komen opdagen?

Dit probleem stelt zich vooral in scholen die een maximumcapaciteit gaan hanteren. Er is inderdaad geen zekerheid dat elke leerling ook effectief aanwezig zal zijn bij het begin van het schooljaar. Deze scholen zullen er zich door de ouders te contacteren eerst van moeten vergewissen of de ontbrekende leerlingen effectief niet meer zullen komen. Om de open gekomen plaatsen aan te vullen tot de maximumcapaciteit moeten ze tijdens de eerste 10 schooldagen de lijst van geweigerde leerlingen genoteerd in het inschrijvingsregister naar gelang het niveau dat vol is verklaard chronologisch aflopen om hen de mogelijkheid te geven alsnog in te schrijven. Zijn er geen van deze leerlingen nog zonder school, dan kunnen nieuw aangemelde leerlingen ingeschreven worden.

 

Wat als een ingeschreven leerling later dan 01/09 komt opdagen?Is de inschrijving dan nietig?

Neen, de voorwaarde voor inschrijving is voldoen aan de toelatingsvoorwaarden. Indien de leerling afwezig is, dient de regelgeving ivm afwezigheden gevolgd te worden. Pas als na contactname met de ouders blijkt dat de leerling elders naar school gaat, kan zijn plaats vrijkomen en kunnen de leerlingen op het register (in chronologische volgorde) gecontacteerd worden en dit tot 10 dagen na de eerste schooldag.

 

Wat indien in de loop van het schooljaar binnen de school terug één of meerdere plaatsen open komen ingevolge uitschrijvingen van leerlingen?

Het inschrijvingsregister moet gevolgd worden tot 10 dagen na de eerste schooldag. Concreet betekent dit dat de school in volgorde van het register de leerlingen dient te contacteren en in te schrijven tot 10 dagen na de eerste schooldag. Nadien mogen de vrije plaatsen worden ingenomen door leerlingen die zich in de school nog aanbieden.

Het inschrijvingsregister dient uiteraard steeds ingevuld te worden.

 

Kunnen plaatsen binnen de school voorbehouden worden vb. voor de overstap van 1A naar 1B tijdens het schooljaar?

Interne verschuivingen kunnen steeds omdat het gaat over reeds ingeschreven leerlingen en niet over nieuwe inschrijvingen.

 

Kunnen leerlingen met een herexamen of C-attest niet het risico lopen niet meer in dezelfde school ingeschreven te worden door het reeds volzet zijn?

Neen, want het inschrijvingsrecht gaat enkel over nieuwe inschrijvingen. Leerlingen met een B- of C-attest zijn immers reeds ingeschreven. Hun plaats en herinschrijving is gegarandeerd.

 

Wat verstaat men onder "onvoldoende draagkracht om tegemoet te komen aan de specifieke noden van de leerling inzake onderwijs, therapie en verzorging"?

Een inrichtende macht van een school voor gewoon onderwijs kan een leerling die op het ogenblik van de inschrijving over een inschrijvingsverslag voor buitengewoon onderwijs beschikt en voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, weigeren wanneer de draagkracht van de school onvoldoende is om tegemoet te komen aan de specifieke noden van de leerling inzake onderwijs, therapie en verzorging. Dit wordt leerling per leerling bekeken.

De Inrichtende macht beslist in overleg met de ouders en met inachtneming van de beschikbare ondersteunende maatregelen en een advies van het CLB waardoor de school begeleid wordt. De draagkracht zal dus afgewogen moeten worden aan de hand van de ondersteunende maatregelen, de specifieke behoeften van de leerling, de voorwaarden die gesteld worden aan het onderwijsaanbod en het draagvlak dat in de school bestaat.

Deze weigeringsgrond geldt alleen in het gewoon onderwijs t.a.v. leerlingen die blijkens een inschrijvingsverslag georiënteerd worden naar een type van BuSO.

Als blijkt dat de ouders niet akkoord gaan met de weigering, zal eerst het bevoegde LOP en in tweede instantie de Commissie Leerlingenrechten beslissen over de gegrondheid van de weigering.

Concreet betekent het voorgaande:

  • als er geen inschrijvingsverslag is bij de inschrijving (dus geen oriënteringsverslag naar BuSO), kan er geen weigering plaatsvinden.
  • een leerling die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden wordt ingeschreven onder de ontbindende voorwaarde van het aantonen van onvoldoende draagkracht.
  • deze inschrijving onder ontbindende voorwaarde is nodig omdat het proces van afweging en inwinnen van advies de nodige tijd vraagt. Indien het kind geen plaats “verwerft” in het inschrijvingsregister kan op het ogenblik dat toch besloten zou worden het kind in te schrijven de maximumcapaciteit reeds bereikt zijn. Het kind zou dan niet meer ingeschreven kunnen worden.
  • pas wanneer de hele procedure is afgerond (inschrijvingsverslag, overleg, beslissing inrichtende macht, betekening van de beslissing aan de ouders en het LOP, bemiddeling door het LOP en eventueel oordeel van de commissie leerlingenrechten), mag de school de bewuste leerling uitschrijven. In zo’n geval dient men de ouders wel te wijzen op de reglementering inzake de leerplicht. Deze uitschrijving betekent niet dat de leerling niet kan ingeschreven worden in een andere school voor gewoon onderwijs.

 

Zijn er kinderen die voorrang krijgen bij inschrijvingen?

Het decreet gelijke onderwijskansen voorziet volgende voorrangscategorieën:

- broers en zussen (kinderen van dezelfde leefeenheid);
- GOK-leerlingen;
- Niet-GOK-leerlingen;
- Nederlandstalige leerlingen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

 

Aan welke kinderen moet voorrang worden verleend bij inschrijving?

De voorrang voor kinderen die tot eenzelfde leefeenheid behoren is een voorrang die elke schoolmoet toepassen. Onder kinderen van eenzelfde leefeenheid wordt verstaan:

  • effectieve broers en zussen (met 2 gemeenschappelijke ouders) al dan niet wonend op hetzelfde adres.
  •  halfbroers en halfzussen (met één gemeenschappelijke ouder) al dan niet wonend op hetzelfde adres.
  • kinderen die onder hetzelfde dak wonen maar geen gemeenschappelijke ouder(s) hebben.

Dat voorrangsrecht is absoluut, wat betekent dat de school daar niet kan op afwijken. Uiteraard geldt dit voorrangsrecht maar tot de school volzet is.

 

Wat als de inrichtende macht geen afzonderlijke inschrijvingsperiode bepaalt of geen voorrangsperiode bepaalt? Is er dan geen voorrang voor broers en zussen?

Broers en zussen hebben altijd voorrang (tot de school vol zit) of er nu een voorrangsperiode wordt bepaald of niet. De inrichtende macht moet een procedure bepalen waaronder het voorrangsrecht geldt en deze ook kenbaar maken aan de ouders. De modaliteiten van de procedure zijn de autonomie van de inrichtende macht maar het bepalen van een procedure is een decretale verplichting.

 

Aan welke leerlingen kan voorrang verleend worden bij inschrijving?

Alle scholen kunnen voorrang geven aan kansarme leerlingen of GOK leerlingen. Dit is echter verschillend voor de scholen in het Nederlandse taalgebied en voor de scholen van het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad.

Sommige scholen kunnen voorrang geven aan niet-GOK leerlingen op voorwaarde dat de relatieve aanwezigheid van de leerlingen die beantwoorden aan de gelijke kansenindicatoren in de school 10% of meer boven de relatieve aanwezigheid gelegen is van deze leerlingen in het werkingsgebied van het LOP, in het door het LOP afgebakende deelgebied of in de gemeente als er geen lokaal overlegplatform is.

Brusselse scholen kunnen voorrang verlenen aan leerlingen met thuistaal Nederlands. De scholen die voor die voorrang kiezen, geven 55% voorrang tenzij in het LOP een hoger percentage vastlegt.

Het behoort tot de autonomie van een inrichtende macht om al dan niet een voorrangsperiode te voorzien voor deze groepen van leerlingen.

Er kunnen binnen het lokale overlegplatform (LOP) wel gezamenlijke afspraken gemaakt worden over de voorrangscategorieën en periodes.

 

Hoe wordt de thuistaal Nederlands in de Brusselse scholen aangetoond?

Het volstaat niet langer op eer te verklaren dat de thuistaal het Nederlands is. Vanaf 1september 2010 wordt de thuistaal Nederlands aangetoond door het voorleggen van:

a) het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig             Nederlandstalig studiebewijs van vader of moeder;
b) het Nederlandstalig getuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs van vader of moeder;
c) het bewijs dat vader of moeder het Nederlands beheerst minstens op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen;
d) het bewijs van voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het Selectiebureau van de Federale Overheid;
e) het bewijs dat vader of moeder 9 jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalig lager én secundair onderwijs.

Het bewijs van niveau B1, bedoeld in c), gebeurt op basis van volgende stukken:

- een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
- een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont.

Het bewijs van 9 jaar Nederlandstalig onderwijs, bedoeld in e), gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.

 

Moeten de verklaringen op eer van de leerlingen die al ingeschreven zijn, vervangen worden door getuigschriften, attesten en bewijzen?

Neen. Leerlingen die voorheen een voorrang verkregen hebben op basis van de thuistal Nederlands, vielen nog onder de toepassing van de vroegere regelgeving en dat blijft zo zolang ze in dezelfde school blijven.

 

Hoe wordt de inschrijvingsperiode geregeld?

Dit is de autonomie van de school en/of het inrichtende macht. Het hanteren van een eventuele inschrijvingsperiode en procedure moet vermeld worden in het schoolreglement en consequent toegepast worden.

Op het LOP kunnen afspraken gemaakt worden over inschrijvingsperiodes en voorrangscategorieën die netoverschrijdend door alle scholen gevolgd worden. Scholen die beperktere of verschillende inschrijvingsperiodes hanteren leggen dit bij voorkeur voor aan het LOP.

De voorrangsperiodes kunnen maximaal 6 weken bedragen en de inrichtende macht beslist over het al dan niet hanteren van voorrangscategorieën (voor broers en zussen geldt een verplichting).

 

Wat met leerlingen die ingevolge een gerechtelijke beslissing werden toegewezen aan een bepaalde onderwijsinstelling?

Ook hier gelden de bepalingen inzake het inschrijvingsrecht. Wanneer de school volzet is, zal er een andere school moeten gezocht worden.

 

Wanneer een leerling zich in een unieke studierichting wenst in te schrijven in een school van het vrije net maar vb. de protestantse godsdienst wenst te volgen, kan de school deze leerling dan weigeren?

Een weigering kan niet als de leerling zich akkoord heeft verklaard met het pedagogisch project en het schoolreglement. De facto gaat de leerling dan wel akkoord met het volgen van het godsdienstonderricht in de school.

Enkel in het officieel onderwijs kan men echter vrijstelling vragen voor de lessen godsdienst.

 

Rekening houdende met het inschrijvingsrecht in de school, zelfs vestigingsplaats van keuze; kan een inrichtende macht gedwongen worden één of meerdere leerlingen in te schrijven in studierichtingen die in bepaalde vestigingsplaatsen niet wordt ingericht?

Neen, de inrichtende macht maakt zelf uit waar een bepaalde studierichting al dan niet wordt ingericht.

 

Is het decreet en het recht op inschrijving ook van toepassing op leerlingen die gedomicilieerd zijn in het buitenland?

Het recht op inschrijving geldt voor alle leerlingen (zie ook het antwoord op de vraag ‘inschrijvingen in scholen in Brussel’).

 

Wat met inschrijvingen in Brusselse scholen van leerlingen die in Brussel wonen?

Ouders in Brussel kunnen binnen de context van de vrijheid van het gezinshoofd zoals voorzien in de taalwetgeving kiezen voor óf Nederlandstalig onderwijs óf Franstalig onderwijs. Met het GOK-decreet verdwijnt deze keuzemogelijkheid niet.

Scholen kunnen niet beperkend optreden ten aanzien van anderstaligen voorafgaand aan de inschrijving. Dit betekent dat een school geen bijkomende inschrijvingsvoorwaarden kan opleggen zoals: één van beide ouders spreekt Nederlands, de ouders engageren zich om Nederlands te leren of thuis met hun kind Nederlands te praten,… enz. Brusselse scholen kunnen om de Nederlandstalige ouders aan te trekken, hen zelf aanspreken, hen sensibiliseren en een actief beleid voeren opdat deze groep ouders hun kinderen tijdig zouden aanmelden voor inschrijving. Het behoud van een Vlaamsvriendelijk profiel van de Brusselse school is op die manier iets wat de directeur zelf gedeeltelijk in de hand heeft. Wel kan vanaf inschrijvingen voor het schooljaar 2006-2007 een voorrang worden verleend aan Nederlandstalige leerlingen (en aan kansarme leerlingen). Zie hieromtrent ook de website www.inschrijveninbrussel.be.

 

Wat met inschrijvingen in scholen in Brussel van leerlingen die in andere gemeenten wonen?

Leerlingen die zich willen inschrijven in een school van Brussel en van wie de ouders buiten Brussel wonen of verblijven, zal de onderwijstaal steeds de taal van de streek van de verblijfplaats van de ouders zijn.

Vb. Als een leerling en zijn ouders in Wallonië wonen dan dienen deze leerlingen ingeschreven te worden in Franstalige scholen; als een leerling en zijn ouders in Vlaanderen wonen dan dienen deze leerlingen in beginsel ingeschreven te worden in Nederlandstalige scholen. (voor meer informatie zie taalwetgeving)

 

Wat met inschrijvingen in scholen in de taalgrensgemeenten, de faciliteitengemeenten en de Brusselse rand?

 Ook voor deze scholen geldt het principieel inschrijvingsrecht zoals voorzien in het GOK-decreet, zonder afwijkingsmogelijkheden. Deze scholen kunnen evenmin beperkend optreden ten aanzien van anderstaligen voorafgaand aan de inschrijving.

 

Wat als een schoolreglement en/of pedagogisch project niet conform zijn met de uitgangspunten van het decreet?

Wanneer ouders vaststellen dat een schoolreglement of pedagogisch project selectiemechanismen bevatten, kunnen ze hierover een brief richten aan de minister van Onderwijs ( Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel) die de onderwijsinspectie kan vragen om die documenten te onderzoeken.

Enkele voorbeelden daarvan zijn:

  • de school laat alleen meisjes toe;
  • één van beide ouders moet Nederlandstalig zijn:
  • de leerling moet 85% behaald hebben in het 6de leerjaar om te kunnen ingeschreven worden in het 1ste jaar A secundair onderwijs.

Indien de niet conforme bepalingen leiden tot een concrete weigering, kunnen de ouders uiteraard een klacht indienen m.b.t. die weigering bij de Commissie inzake Leerlingenrechten (Hendrik Consciencegebouw - Koning Albert-II laan 15 - 1210 Brussel).

 

2. Vragen met betrekking tot de experimentele aanmeldingsprocedure

Kan elke school gebruik maken van een aanmeldingsprocedure?

Vanaf 1 september 2010 kunnen alle scholen een aanmeldingsprocedure uitproberen, ook als ze niet tot een lokaal overlegplatform behoren.

Voor scholen gelegen in gemeenten waar een lokaal overlegplatform is opgericht, is de experimentele aanmeldingsprocedure uitvoerbaar indien ze bij dubbele meerderheid goedgekeurd is door het lokaal overlegplatform waarin de betrokken scholen participeren.

Voor scholen gelegen in gemeenten waar geen lokaal overlegplatform is opgericht, is de experimentele aanmeldingsprocedure uitvoerbaar indien ze is goedgekeurd door de inrichtende machten van minstens de helft van de secundaire scholen gelegen in die gemeente. De schoolraden van de betrokken scholen verlenen vooraf verplicht advies over de experimentele aanmeldingsprocedure zoals bepaald in de artikelen 19 en 20 van het decreet van 2 april 2004 betreffende de participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad.

 

Wat is een aanmeldingsprocedure?

Voor de inschrijvingen die betrekking hebben op de schooljaren 2009-2010, 2010-2011 en 2011-2012 kunnen inrichtende machten gebruik maken van een experimentele aanmeldingsprocedure. Deze procedure moet er enerzijds voor zorgen dat de ouders hun kinderen kunnen aanmelden en een intentie tot inschrijving kunnen kenbaar maken. Anderzijds zorgt deze procedure ervoor dat de school, op basis van ordeningscriteria, een rangorde kan aanbrengen in de aanmeldingen.

Een aanmeldingsprocedure bestaat uit twee zaken: de aanmeldingsperiode en de ordeningscriteria.

 

Wat is een aanmeldingsperiode?

Dat is een afgebakende periode, door de inrichtende macht vastgelegd (mits goedkeuring), waarbinnen leerlingen (of hun ouders) kunnen te kennen geven dat ze ingeschreven willen worden in die bepaalde school.

 

Is er maar één aanmeldingsperiode per schooljaar?

De inrichtende macht kan kiezen voor een aanmeldingsperiode per voorrangscategorie of voor verschillende aanmeldings- en inschrijvingsperiodes. Dat is autonomie van de inrichtende macht. Hoe dan ook moet er een afzonderlijke aanmeldingsperiode zijn voor de broers en zussen.

 

Wanneer kan ik mijn kind aanmelden in mijn school of vestigingsplaats van keuze?

U kan uw kind aanmelden tijdens de daartoe voorziene aanmeldingsperiode(s). De school of het lokaal overlegplatform maakt die periode(s) kenbaar via verschillende informatiekanalen aan alle ouders en aan intermediairen.

 

Wat zijn ordeningscriteria?

Ordeningscriteria zijn criteria volgens dewelke de inrichtende macht de aangemelde kinderen zal ordenen. De inrichtende machten kunnen voor het secundair onderwijs kiezen voor volgende ordeningscriteria:

1) chronologie van aanmelding, met uitzondering van een chronologische fysieke aanmelding (lees: fysieke wachtrijen of kampeertoestanden organiseren);

Voorbeelden van toegelaten chronologische aanmeldingen: aanmeldingen via een call-center, online-aanmeldingen, …


2) aantal schooldagen als regelmatige leerlingen ingeschreven in een basisschool gelegen binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen als de secundaire school.

 

Welk document moet de school de ouders geven bij aanmelding en wanneer?

Bij aanmelding moet de school geen document afgeven aan de ouders tenzij er binnen de experimentele aanmeldingsprocedure andere afspraken worden gemaakt.

 

Hoe weten de ouders welke plaats hun kind inneemt op het aanmeldingsregister?

De ouders worden binnen de 4 werkdagen na de ordening zelf schriftelijk op de hoogte gebracht van de plaats van hun kind in de rangordening. Daarbij wordt onmiddellijk meegedeeld of hun kind gunstig dan wel niet gunstig gerangschikt werd.

 

Wordt een aanmelding automatisch omgezet in een inschrijving?

Neen, alle ouders die hun kind op basis van de ordening wensen in te schrijven, moeten zich in de school aanbieden binnen de vooropgestelde termijn om de inschrijving effectief te realiseren.

Dit geldt eveneens voor kinderen die ongunstig gerangschikt zijn. Pas op dat moment en na instemming met het schoolreglement en het pedagogisch project worden zij immers ingeschreven in het inschrijvingsregister.

De school bepaalt binnen welke termijn de inschrijvingen, op basis van de aanmelding, dienen te gebeuren en dit wordt duidelijk naar de betrokken ouders gecommuniceerd. Ouders die binnen deze afgesproken termijn geen gebruik maken van deze mogelijkheid verliezen voor hun kind het recht op inschrijving via aanmelding.

 

Wat gebeurt er als mijn kind geen gunstige plaats krijgt in de rangordening?

Ouders van kinderen die ongunstig gerangschikt werden, kunnen zich op school aanbieden om een weigeringsdocument te krijgen. Als later zou blijken dat een gunstig gerangschikte leerling zich niet aanbiedt voor een effectieve inschrijving, kunnen zij een eventueel vrij gekomen plaats innemen (hierbij zal de volgorde van de geweigerde leerlingen in het inschrijvingsregister worden gerespecteerd). Dat kan bvb. omdat iemand uiteindelijk afziet van een effectieve inschrijving of zich niet tijdig aanbiedt om op basis van de verkregen plaats in de rangordening ingeschreven te kunnen worden.

 

Kan men in het LOP afwijken van het huishoudelijke reglement om de aanmeldingsprocedure goed te keuren?

De procedure van instemming met de helft + 1 dient zowel bij de onderwijspartners (CLB’s behoren tot deze categorie!) als de niet-onderwijspartners gehanteerd te worden. De meeste huishoudelijke reglementen van de LOP’s voorzien een ander besluitvormingproces. De decretale bepaling primeert echter op de bepalingen binnen de huishoudelijke reglementen.

 

Hoe gaat het LOP de aanmeldingsprocedure evalueren?

Evalueren gebeurt in functie van de doelstellingen van de decretale bepalingen. Het strekt tot aanbeveling om de gewenste effecten vooraf duidelijk te definiëren. Na elke aanmeldingsprocedure dient het LOP telkens een evaluatie te maken (vóór 1 november) die dient voorgelegd te worden aan de Vlaamse Regering. Deze evaluaties zullen de Vlaamse Regering in staat stellen om de regelgeving al dan niet bij te sturen. Voor het laatste experimenteerjaar (2010-2011) vraagt de overheid geen evaluatie.

 

Waar kunnen ouders terecht bij klachten?

De Commissie leerlingenrechten is, enkel na klacht, bevoegd om te oordelen over de regelmatige toepassing van de aanmeldingsprocedure. Voor klachten m.b.t. discriminatie moet men zich wenden tot het Centrum voor gelijke kansen en racismebestrijding.

 

3. Vragen met betrekking tot de lokale overlegplatforms

Hoe wordt de algemene vergadering van het lokaal overlegplatform (LOP) samengesteld?

 De algemene vergadering wordt samengesteld zoals beschreven in het decreet. Voor de verschillende actoren worden vertegenwoordigers aangeduid. Elke directie en elke inrichtende macht moet een vertegenwoordiger hebben in het LOP. Het kan niet dat in de Algemene Vergadering een persoon optreedt namens verschillende directies, schoolbesturen en/of inrichtende machten.

 

Hoe worden de niet-onderwijspartners binnen het LOP aangeduid?

Voor de aanduiding van de andere partners werd overleg gepleegd met de centrale organisaties van de partners die op het lokale vlak in het LOP aanwezig zijn (representatieve vakorganisaties, erkende ouderverenigingen, Vlaamse Scholierenkoepel, Vlaams Minderhedencentrum, Vlaams Netwerk van Verenigingen waar Armen het woord nemen, Minderhedenforum). Deze centrale organisaties hebben in overleg met de deskundigen plaatselijke vertegenwoordigers gemandateerd of zullen deze nog aanduiden.

Hoe gebeurt de aanduiding van de gecoöpteerden (socio-culturele en/of economische partners en SOW)?

De aanduiding gebeurt bij de eerste algemene vergadering met alle andere participanten. Er wordt best gewerkt met aanmeldingen en organisaties die een duidelijke bijdrage kunnen betekenen voor het overleg. Het heeft weinig zin om organisaties die geen voeling hebben met de problematiek bij de werkzaamheden van het lokale overleg te betrekken.

 

Hoe gebeurt de voordracht van de voorzitter?

Het LOP draagt de voorzitter voor, de Vlaamse Regering (i.c. de minister bevoegd voor onderwijs) stelt de voorzitter aan.

 De voorzitter moet vertrouwd zijn met het brede onderwijsveld en mag niet zetelen in een IM en geen personeelslid zijn van een betrokken school, scholengroep, scholengemeenschap of CLB. Er bestaat geen onverenigbaarheid met het opnemen van een politiek mandaat (tenzij voor de schepen van onderwijs), ook niet met een opdracht in een hogeschool of universiteit. Het belangrijkste is dat alle participanten aan het LOP de voorzitter in consensus hebben gekozen.

Op de installatievergadering van het LOP moet de kandidatuur van de voorzitter bevestigd worden. Door middel van het verslag van de vergadering wordt de voordracht van de voorzitter gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi). AgODi legt een voorstel tot officiële aanstelling voor aan de minister en brengt het LOP (de voorzitter) op de hoogte van de beslissing.

 

Hoe komt het huishoudelijk reglement tot stand?

Het huishoudelijke reglement moet bij consensus tot stand komen of gewijzigd worden, door de voltallige Algemene Vergadering. Dit betekent dat alle partners in de mogelijkheid moeten zijn zich uit te spreken. Wanneer een organisatie niet effectief aanwezig kan zijn omwille van het nog ontbreken van een lokale vertegenwoordiger, dan is het aangewezen de betreffende organisatie te informeren en desgevallend om een standpunt te vragen.

 

Hoe verloopt de besluitvorming?

De beslissingen van het LOP worden (zoveel mogelijk) bij consensus genomen.

Constante aandacht voor en terugkoppeling van de beslissingen naar de doelstellingen van het decreet en de opdrachten van het LOP (art. IV.4) is aangewezen.

 

Wie roept de eerste maal het LOP bijeen?

De deskundige roept het LOP samen tot er een voorzitter is. Hij spreekt eerst de verplichte partners aan (zie decreet GOK-I, art. IV.3, §1, 1°, 2°, 3°). Daarna worden de andere partners gecontacteerd (art.IV.3, §1, 4_°, 5°, 6°, 8°, 9°, 10°, 11°). Dit alles kan gebeuren in voorbereidende vergaderingen. Tenslotte wordt gezocht naar kandidaten voor de gecoöpteerden (art.IV.3, §1, 7°, 12°). Vanaf de eerste Algemene Vergadering kunnen de gecoöpteerde participanten aangeduid worden.

 

Kunnen/moeten Franstalige scholen in Brussel en de faciliteitengemeenten betrokken worden bij het LOP?

Franstalige scholen in Brussel en in de faciliteitengemeenten zijn geen formeel lid van het LOP. Gelet op de lokale context kunnen ze wel geïnformeerd worden en kunnen er contacten zijn.

 

Tot welk LOP moeten de scholen van één van de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zich richten?

Alle scholen van de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren tot één LOP, nl. dat van Brussel. Voor Brussel zijn er wel twee LOP’s en die zijn niveaugebonden: dus één voor het basisonderwijs en één voor het secundair onderwijs.

 

Het lokaal overleg kan plaatselijk instrumenten uitwerken waardoor scholen met een gering aantal leerlingen die voldoen aan de gelijke kansenindicatoren een groter aantal van deze leerlingen kunnen inschrijven. Wat wordt hieronder verstaan?

Deze lokale autonomie reikt niet zover dat decretale bepalingen over het recht op inschrijving op de helling kunnen gezet worden. Wat mogelijk is, is met alle scholen binnen het werkingsgebied van het LOP afspraken te maken over de inschrijvingsperiodes die men zal respecteren, over specifieke rekruteringsacties in de buurt van scholen, over het geven van gezamenlijke informatie aan alle scholen,… zodat elke ouder zo goed als mogelijk geïnformeerd is over het recht op inschrijving, wat hij of zij dan ook ten volle kan laten gelden.

 

4. Vragen met betrekking tot de Commissie inzake leerlingenrechten (= commissie) en de rechtsbescherming

Hoeveel tijd heeft de commissie leerlingenrechten om de procedure van weigering te doorlopen?

Wanneer de klacht binnenkomt, dient de commissie binnen de 21 kalenderdagen een oordeel te vellen. Indien de leerling terecht geweigerd werd, kunnen de ouders aan het LOP vragen hen bij te staan bij een nieuwe inschrijving.

 

Is de commissie inzake leerlingenrechten alleen maar bevoegd voor weigeringen?

De commissie is bevoegd voor alle weigeringen maar nu ook voor de aanmeldingen.

Voor weigeringen op basis van draagkracht is de commissie niet in eerste aanleg bevoegd. Pas als het LOP niet tot een oplossing komt (binnen 10 dagen) gaat de weigering op basis van draagkracht over naar de commissie. Ook hier dienen dezelfde termijnen als bij de andere weigeringsgronden gerespecteerd te worden.

De commissie kan eventueel een voorstel van sanctie (t.a.v. schoolbesturen die een weigering onvoldoende kunnen motiveren) indienen bij de Vlaamse Regering die binnen de 14 dagen een sanctie uitspreekt.

Bij aanmeldingen is de commissie na klacht bevoegd om een uitspraak te doen over de regelmatige toepassing van de aanmeldingsprocedure. Zij kan geen uitspraak doen over de ordeningscriteria noch over de aanmeldingsperiode(s).

 

Wie meldt een weigering aan het LOP?

De inrichtende macht die een leerling weigert, deelt dit binnen een termijn van 4 kalenderdagen bij aangetekend schrijven of tegen afgiftebewijs mee aan de voorzitter van het LOP en aan de ouders van de leerling.

Indien de school niet gelegen is in het werkingsgebied van een lokaal overlegplatform dient de weigering voor het secundair onderwijs gezonden te worden naar Peter Bex, AgODi, Scholen Secundair Onderwijs en DKO, Koning Albert II-laan 15, lokaal 2 A 25, 1210 Brussel.

Bij weigering kunnen de ouders maar ook elke belanghebbende een klacht neerleggen bij de Commissie inzake leerlingenrechten. Bij weigering op basis van draagkracht zal het LOP bij falen het dossier doorsturen naar de Commissie inzake leerlingenrechten.

Zelfs als de school geen schriftelijke motivatie betekent aan de ouders kan klacht neergelegd worden bij de Commissie.

 

Waar blijft het kind tot de beslissing over de weigering op basis van draagkracht is gevallen?

Een school die overweegt een leerling te weigeren op basis van draagkracht, moet deze leerling inschrijven onder ontbindende voorwaarde. Tijdens het overwegingsproces blijft de leerling in de nieuwe school ingeschreven en loopt er ook school. Nadat de volledige procedure doorlopen is, besluit de nieuwe school om de leerling te weigeren of echt ingeschreven te houden.

Als er, na weigering, bij bemiddeling in het LOP geen andere school gevonden wordt, blijft het kind dus ingeschreven in de nieuwe school tot de Commissie leerlingenrechten een oordeel heeft betekend.

Indien de Commissie de beslissing van de school gegrond acht, blijft de leerling ingeschreven in een andere school van keuze.

Indien de Commissie de beslissing van de school ongegrond acht, blijft de leerling ingeschreven in de nieuwe school.

Als de ouders de beslissing van de Commissie weigeren te aanvaarden hebben ze nog steeds de mogelijkheid om juridische stappen te ondernemen. Men moet ouders wel wijzen op de leerplicht.

 

Wat is de rol van de verificatie bij de rechtsbescherming?

Er zullen geen specifieke controles door de verificatie gebeuren in situaties waar er leerlingen omwille van capaciteit geweigerd worden, maar waarvoor geen klachten worden ingediend. De Commissie leerlingenrechten kan op elk moment de verificatie vatten om gegevens te onderzoeken na een klacht.

 

Wat is de rol van ouders binnen de procedures van rechtsbescherming en welke garanties zijn er voor scholen (vb. tegen schoolshopping?)

Mondigheid van ouders zal via de organisaties gestimuleerd moeten worden (de LOP-deskundigen kunnen hier ook op toezien). Een schoolverandering is een recht voor de ouders. De bestaande procedures voor schoolverandering worden gevolgd.

 

Kan de Commissie inzake leerlingenrechten een CLB-dossier opvragen?

Na toestemming van de ouders kan het multidisciplinair dossier van een leerling vrijgegeven worden, om een beslissing te staven. Als de ouders geen toestemming geven om het dossier in te zien dan gebeurt dat niet. (vb. in geval van weigering op grond van draagkracht)

 

Wat met motiveringen en bemiddeling bij weigering wanneer er geen LOP is?

Meldingen gebeuren aan AgODi (Peter Bex voor secundair onderwijs - zie omzendbrief SO/2005/07) die dan, in overleg met de coördinatiecel voor de LOP's, bepaalt welk LOP het dossier moet opnemen. Enkel weigeringen op basis van draagkracht brengen een automatische bemiddeling met zich mee; in geval van andere weigeringsgronden kan bemiddeling op vraag gebeuren.De bevoegde LOP-deskundige is de deskundige van het LOP van het betrokken onderwijsniveau waarvan de standplaats het dichtst gelegen is bij de hoofdvestigingsplaats van de betrokken school. Er wordt eveneens beslist welk lid van de inspectie het dossier mee zal opvolgen.

Op het ogenblik dat het dossier van de betrokken school in een LOP besproken wordt, is het aangewezen dat die school tijdelijk betrokken wordt bij de bemiddelingscel.

 

5. Vragen met betrekking tot het geïntegreerd ondersteuningsaanbod

Algemeen Is er geen sensibilisering van de ouders nodig via de media daar sommige ouders het informatieformulier met betrekking tot de indicatoren niet invullen?

De privacywetgeving bepaalt dat niemand verplicht kan worden om persoonlijke gegevens door te geven. Het staat de ouders zodoende vrij om de gegevens in het kader van gelijke onderwijskansen al dan niet te verstrekken. De directeur speelt hierbij wellicht een cruciale rol. Een goede communicatie met de groep ouders kan een oplossing bieden. Een aantal directies roepen de ouders samen en lichten het hoe en het waarom van de bevraging duidelijk toe. Deze aanpak biedt geen garanties maar heeft wellicht toch meer kans van slagen.

 

Waarom telt de gelijke kansenindicator “Thuistaal is niet het Nederlands” enkel mee als deze voorkomt in combinatie met een andere indicator?

De indicator “Thuistaal is niet het Nederlands” telt wel mee als indicator maar niet als enige indicator. Deze indicator moet steeds voorkomen in combinatie met een andere indicator. Dit is een duidelijke keuze geweest mede op aangeven van het Steunpunt Nederlands tweede taal die via wetenschappelijk onderzoek tot de vaststelling gekomen is dat kinderen die gemakkelijk leren, een goede taalvaardigheid hebben in hun moedertaal en voldoende onderwijs- en ontwikkelingskansen krijgen, snel een andere taal aanleren. De taalrijkdom en woordenschat in hun moedertaal liggen immers hoog en dit wordt heel gemakkelijk overgedragen bij het aanleren van een nieuwe taal. Kinderen die echter uit een taalarm milieu komen en niet over zo’n grote woordenschat beschikken in hun moedertaal hebben het veel moeilijker om ook een nieuwe taal aan te leren.

 

Wat met pleegkinderen? Op wie slaan de indicatoren dan?

Voor pleegkinderen zijn het de natuurlijke ouders die tellen voor de indicatoren. Welke opleiding de pleegmoeder heeft genoten doet niet ter zake evenmin als de thuistaal van het pleeggezin. Het is het opleidingsniveau van de natuurlijke moeder die in aanmerking wordt genomen en de gangbare taal van het natuurlijke gezin van het kind die een rol speelt. De verklaring op eer dient eveneens door de natuurlijke ouders ondertekend te worden.

Voor de indicator “tijdelijk of permanent opgenomen zijn buiten het gezinsverband” is een verklaring nodig van de persoon, de voorziening of de sociale dienst waar de minderjarige is opgenomen.

 

Wie dient de verklaringen op eer te ondertekenen voor kinderen die in een asielcentrum verblijven of verbleven?

De toenmalige minister heeft op 17 juli 2002 beslist dat de verklaringen op eer van de kinderen die in een asielcentrum verblijven (of verbleven) als correct mogen beschouwd worden als de directeur van het asielcentrum deze verklaringen heeft ondertekend. Dit betekent dat die kinderen wel degelijk in aanmerking mogen komen voor de berekening van de extra uren-leraar in het kader van het gelijke onderwijskansenbeleid.

 

Wat als de school niet beschikt over verklaringen op eer van de ouders?

Voor de bepaling of een leerling al dan niet scoort op de indicatoren ‘ opleidingsniveau moeder’ en ‘ thuistaal’ werken we met verklaringen op eer van de ouders. Wanneer de school niet beschikt over een verklaring op eer van de ouders of iemand die het ouderlijk gezag uitoefent, wordt de leerling beschouwd als zijnde een leerling met het Nederlands als thuistaal en met een moeder met minstens een diploma secundair onderwijs.

 

Welke teldag wordt er gehanteerd om het aantal aanvullende extra uren-leraar in het kader van GOK te bepalen?

De teldag is voor alle scholen de eerste schooldag van februari voorafgaand aan de driejaarlijkse periode. Dit geldt ook voor scholen in herstructurering, in programmatie of met fusie of opsplitsing die voor hun lestijdenpakket tellen op de eerste schooldag van oktober. Voor extra uren-leraar GOK wordt er op geen enkel moment en onder geen enkele voorwaarden herteld. Het aantal uren-leraar GOK blijft derhalve gelijk voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren.

 

Wat als een school een vestigingsplaats bij krijgt van een andere school?

Bij fusies en herstructureringen behoort de nieuwe verdeling van de lestijden GOK tot de autonomie van de school. Het departement onderwijs zal niet bepalen welk aandeel uren-leraar naar de ene school of de andere school moet gaan.

Wanneer een school een vestigingsplaats bij krijgt van een andere school dan dienen de betrokken directies van beide scholen in overleg te treden met elkaar en deze uren-leraar te verdelen zoals het voor hen op de meest zinvolle manier kan besteed of aangewend worden.

 

Wanneer kunnen de scholen controle verwachten van de inspectie?

 Tijdens het tweede en derde trimester van het derde schooljaar zullen alle scholen systematisch controle krijgen van de onderwijsinspectie. De inspectie zal oa. de aanwending van de lestijden / uren-leraar GOK controleren, of de analyse van de beginsituatie voldoende kwaliteitsvol is verlopen, of er een visie is, of er doelstellingen zijn, of deze voldoende verantwoord gekozen zijn en of deze bereikt werden, of er een zelfevaluatie is gebeurd en of die kwaliteitsvol is verlopen, of er eventuele bijsturingen zijn gebeurd en wat het resultaat daarvan is. Zie website van de inspectie voor meer informatie : www.onderwijsinspectie.be

 

Wat wordt verstaan onder behoren tot de trekkende bevolking?

Zie ook omzendbrief SO/2005/07 voor een uitvoerige omschrijving. Ouders die loontrekkend zijn behoren niet automatisch tot deze categorie; evenmin de ouders die tijdens verlofperiodes “trekken” met een caravan.

 

Wat wordt NIET verstaan onder thuisloos zijn?

Kinderen die door de grootouders worden opgevoed.

Kinderen die afwisselend bij de ene ouder en de andere ouder verblijven binnen een situatie van co-ouderschap.

 

Wanneer is de thuistaal NIET het Nederlands?

Een leerling is niet-Nederlandstalig als de taal die de leerling in het gezin spreekt (dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen) niet het Nederlands is. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

voorbeeld 1: de leerling leeft in een gezin met 2 andere gezinsleden dan zichzelf en spreekt met de vader Frans en met de moeder Nederlands: de taal van de leerling wordt beschouwd als zijnde het Nederlands.

voorbeeld 2: de leerling leeft in een gezin met 2 andere gezinsleden dan zichzelf en spreekt met de vader Frans en met de moeder Frans: de taal van de leerling wordt beschouwd als zijnde niet het Nederlands.

voorbeeld 3: de leerling leeft in en gezin met minstens 3 gezinsleden en spreekt met de moeder Arabisch, met de vader Frans en met de broers en zussen Nederlands: de taal van de leerling wordt beschouwd als zijnde niet het Nederlands want alle broers en zussen worden als 1 gezinslid beschouwd.

voorbeeld 4: de leerling leeft in en gezin met minstens 3 gezinsleden en spreekt met de moeder Arabisch, met de vader Nederlands en met de broers en zussen Nederlands: de taal van de leerling wordt beschouwd als zijnde het Nederlands want alle broers en zussen worden weliswaar als 1 gezinslid beschouwd maar er wordt met 2 gezinsleden Nederlands gepraat.

 

Wat met pleegkinderen? Op wie slaan de indicatoren dan?

Voor pleegkinderen zijn het de natuurlijke ouders die tellen voor de indicatoren. Welke opleiding de pleegmoeder heeft genoten doet niet ter zake evenmin als de thuistaal van het pleeggezin. Het is het opleidingsniveau van de natuurlijke moeder die in aanmerking wordt genomen en de gangbare taal van het natuurlijke gezin van het kind die een rol speelt. De verklaring op eer dient eveneens door de natuurlijke ouders ondertekend te worden.

Om het kind voor de indicator “tijdelijk of permanent opgenomen zijn buiten het gezinsverband” te laten meetellen is er een verklaring of attest nodig van de instantie die het kind in het pleeggezin heeft geplaatst.

Op welke manier dienen de uren-leraar in het kader van GOK aangewend te worden?

  •  Mogen de GOK uren-leraar gebruikt worden om een klasgroep te splitsen?

  • Kunnen de GOK uren-leraar toegekend in de eerste graad aangewend worden in tweede en derde graad en omgekeerd?

  •  Dienen deze uren-leraar exclusief om de doelgroepleerlingen te begeleiden, of mogen ze ook ingezet worden om andere leerlingen te helpen die niet aan de gelijke kansenindicatoren voldoen?

Het pakket uren-leraar gelijke onderwijskansen wordt toegewezen aan een school en niet aan een niveau of een vestigingsplaats van de school. De uren-leraar toegekend aan de eerste graad kunnen enkel in de eerste graad aangewend worden. De uren-leraar toegekend in de tweede en derde graad kunnen in alle graden aangewend worden. GOK uren-leraar mogen gebruikt worden om klasgroepen te splitsen als dit past binnen de schooleigen visie inzake gelijke onderwijskansen en de zelfgekozen doelstellingen van de school. Dat betekent eveneens dat leerlingen die niet voldoen aan de kansarmoede-indicatoren (bijv. hoogbegaafde kinderen) gebruik kunnen maken van de globale aanpak van de school én van die extra ondersteuning.

De GOK uren-leraar moeten evenwel gebruikt worden voor wat ze bedoeld zijn. Het zijn uren met een specifiek doel die enkel en alleen voor dat doel dienen gebruikt te worden. Daarenboven moet de aanwending van de uren kaderen in de schooleigen visie rond gelijke onderwijskansen en de gekozen doelstellingen. De onderwijsinspectie is bevoegd om de aanwending van die uren-leraar te controleren. Het verder aangeven hoe deze uren-leraar dienen ingevuld te worden is niet de taak van de administratie maar de autonomie van de school. De school kan zich daarin laten bijstaan door de netgebonden pedagogische begeleiding.

Een school heeft voor de eerste graad GOK uren-leraar gekregen. Wat gebeurt er voor volgend schooljaar? Worden de uren overgeheveld als leerlingen uit de eerste graad overgaan naar de tweede graad?

De GOK uren-leraar worden berekend op basis van het aantal doelgroepleerlingen (in de eerste graad of tweede en derde graad). Deze extra uren-leraar kunnen vrij aangewend worden over de verschillende graden. De extra uren-leraar die worden toegekend voor de eerste graad kunnen dus voortaan ook worden aangewend voor de tweede en derde graad. Uiteraard moeten deze uren-leraar aangewend worden voor het voeren van een gelijke onderwijskansenbeleid en moet de aanwending in de schooleigen visie duidelijk gemotiveerd worden.

 

Hoe kunnen de GOK uren-leraar aangewend worden voor het personeel?

In het secundair worden de uren-leraar voor gelijke onderwijskansen toegekend op het niveau van de eerste graad en/of de tweede en derde graad.

Met deze GOK-uren, en afhankelijk van de graad waarin de uren worden toegekend kan de inrichtende macht van een school beslissen om in de school betrekkingen op te richten in het ambt van leraar, godsdienstleraar of opvoeder.

In de GOK-uren toegekend op het niveau van de eerste graad gaat het om betrekkingen in het ambt van leraar en godsdienstleraar. In de GOK-uren die zijn toegekend op het niveau van de tweede en derde graad gaat het om betrekkingen in het ambt van leraar en opvoeder.

De inrichtende macht van een school beslist jaarlijks of deze GOK-uren aangewend worden voor één of meerdere ambten. Bij de invulling van de ambten moeten de regels worden toegepast inzake verdeling van betrekkingen onder de vastbenoemde titularissen en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking. Daarna moeten de principes inzake tijdelijke aanstelling van doorlopende duur worden toegepast.

 

Kan in deze GOK uren-leraar vastbenoemd worden?

In de GOK-uren kan een vaste benoeming bekomen worden. Ook leraars die reeds vastbenoemd zijn, kunnen met GOK-uren worden belast op voorwaarde dat de inrichtende macht een verlof toekent om tijdelijke een andere opdracht uit te oefenen (TAO verlof)

 

Waarom is GOK in het buitengewoon onderwijs beperkt tot de types 1 en 3?

Bij de conceptie van het GOK-beleid in het buitengewoon onderwijs werd zeer sterk rekening gehouden met het onderzoek dat werd uitgevoerd onder leiding van professor P. Ghesquire van de KULeuven (http://www.ond.vlaanderen.be/leerzorg/onderzoek/). De voornaamste conclusie van dat onderzoek was dat scholen voor de types 1 en/of 3 die een relatief hoog aantal leerlingen tellen die scoren op de indicatoren “taal” en “opleidingsniveau moeder” het meeste effect op het school- en klasgebeuren ondervinden door de aanwezigheid van deze leerlingen. Binnen de andere types is o.a. door de algemene problematiek, de impact op het klas- en schoolgebeuren minder.