|
|
|
|
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingenBESLUITNr. 2009/059 - donderdag 13 augustus 2009Inzake ......... wonende te ........., ......... Verzoekende partij Tegen een beslissing van de ......... met zetel te ........., ......... Verwerende partij 1. Behandeling van de zaakDe zaak van ......... werd behandeld op de openbare zitting van donderdag 13 augustus 2009. Gehoord werden: - de verzoekende partij: ......... - de verwerende partij: ......... ......... Nadat de Raad de partijen heeft gehoord, heeft hij de zaak in beraad genomen. De Raad heeft acht geslagen op het verzoekschrift, de antwoordnota, de wederantwoordnota en de bij deze stukken toegevoegde documenten. 2. Voorwerp van het verzoekschriftVerzoekende partij tekent beroep aan tegen de beslissing van 3 juli 2009 genomen in het kader van het intern beroep waarbij het intern beroep ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard. 3. Samenvatting van de feiten3.1. Verzoekende partij is tijdens het academiejaar 2008-2009 ingeschreven in het tweede jaar bachelor in de verpleegkunde. Het beroep betreft de examentuchtbeslissing van 23 juni 2009 voor de opleidingsonderdelen ‘Pathologie 2’ en ‘.........’. Op grond van artikel ......... van het onderwijs- en examenreglement werd verzoekende partij schuldig bevonden aan bedrog of poging tot bedrog en ontving voor beide opleidingsonderdelen een examencijfer van 0 op 20. Verzoekende partij behoudt evenwel haar tweede examenkans. De examencommissie concludeerde dat verzoekende partij met een medestudent mondeling informatie uitwisselde tijdens de schriftelijke examens. Het dossier werd geopend na het ontvangen van een e-mail van een medestudent op zaterdag 6 juni 2009 die – in eerste instantie zonder namen te vermelden – aangaf dat twee studenten tijdens de schriftelijke examens samenwerkten. Ook in een tweede schrijven meldden studenten anoniem dat de twee studenten samenwerkten. Bij dat schrijven werd een fragment vanop de sociale netwerksite ‘facebook’ toegevoegd. Op 3 juni 2009, de dag van de schriftelijke examens voor de onderdelen ‘Psychopathologie’ en ‘.........’ van het opleidingsonderdeel ‘Pathologie 2’, wisselden beide studenten vóór het examen de volgende reacties uit: - medestudent: “[…] Dussss da wil zegn ik pneumo gij de psychopatho… safe !! :p” - verzoekende partij: “ja cava das goe wi, ik kan psychopatho nog tamelijk goe, chill we gaan da goewd doen ! ;)” - medestudent: “ik ken ut eigenlijk ook nog redelijk :p! joam joam, examen alleen maken???? Moh ! das lik groepswerk…” - verzoekende partij: “tuurlijk ! e mo meneer, wil je zeggen da we dan ni mogen overleggen fzo? allee ej da nu al geweten :D” - medestudent: “ “kheb gezien daj soms wat praat, dat zou jammer zijn van je zomervakantie hé”, dwoaze kerel eigenlijk ! phaha” - verzoekende partij: “jaaaaa idd! khoop dat ie da ni were is wi vandage, of we zien de choco !” - andere student: “Haha da wos teegn joen ofwa? :-D Twa idd stom :-P” - medestudent: “joat da was tegen ik… eb je da gehoord mss? en ut ergste was khad lik voor één keer nog nx gezegd tijdens ut examen!! alst weer em is é vandaag, gaank da egt nie cool vindn!” - andere student: “Jaak khoorde em da zegn, mo kwist nie tegn wien… Mo jat lik nogmo 5 sec je examen ofzo… Stooom :-D” - medestudent: “nene da was in de helft van me examen ofzo :-), mo vandaag gak da wel subtieler aanpakn :D” - verzoekende partij: “gaat dan nog maar een keer een examen of twee gaan maken zeker” - medestudent: “tzal wel zijn !!” - verzoekende partij: “elpt je mee ?” - medestudent: “altijd é :)” - verzoekende partij (na het examen): “wen da were vre goe gedaan ! ;)” Diezelfde dag wisselden beide studenten tevens de volgende reacties uit ná het afleggen van de examens in kwestie: - medestudent: “als da geen samenwerking was opt examen !! :p” - verzoekende partij: “echt wel zalig wi :D” - medestudent: “meeega ! :p” - andere student: “hoho, ik hoop dat ze ook facebook hebben” - medestudent: “naaaaaah :-) kpeis da wel nie” Twee toezichthouders meldden schriftelijk op 11 juni 2009 dat ze tijdens een examen op 2 juni 2009 respectievelijk 5 juni 2009 beide studenten hadden gewaarschuwd m.b.t. tot praten met de hand voor de mond, maar dat ze geen bewijs van bedrog konden voorleggen. Na het schriftelijk examen van 11 juni 2009 van het onderdeel ‘Recht 2’ van het opleidingsonderdeel ‘.........’ rapporteerden de twee toezichthouders schriftelijk dat ze vastgesteld hadden dat op verschillende drukkere momenten – bij het indienen van examens door andere studenten – een duidelijk verbaal contact was tussen de twee studenten, dat zoekgedrag in de zin van rondkijken waar de toezichthouders zich bevonden, merkbaar was, maar dat geen uitwisseling van kladbladen of andere documenten werd vastgesteld. Op 17 juni 2009 volgde een gesprek tussen het departementshoofd, de jaarcoördinator en beide studenten. Na het gesprek ondertekenden beide studenten een verklaring dat ze zich tijdens de schriftelijke examens voor ‘Psychopathologie’, ‘.........’ en ‘Recht 2’ schuldig hebben gemaakt aan het ongeoorloofd uitwisselen van informatie. Op 19 juni 2009 ontvingen beide studenten het verslag van het departementshoofd die van oordeel was dat in hoofde van beide studenten er tijdens de vermelde examens sprake was geweest van bedrog of een poging tot bedrog. Beide studenten hebben gebruik gemaakt van hun recht om bedenkingen bij dit verslag te formuleren. In hun verklaring, gedateerd op 19 juni 2009, ontkenden beide studenten de beschuldiging van bedrog en voerden ze aan dat ze zich gedwongen voelden om de schriftelijke bekentenis van 17 juni 2009 te ondertekenen. Het departementshoofd stelde vervolgens de examencommissie in kennis van het dossier. Op 23 juni 2009 volgde de beraadslaging en, na geheime stemming, de examentuchtbeslissing van de examencommissie. 3.2. Verzoekende partij stelde op 29 juni 2009 een intern beroep in bij de algemeen directeur van de onderwijsinstelling. 3.3. Verzoekende partij werd op 1 juli 2009 gehoord om haar beroep mondeling toe te lichten. Bij beslissing van de algemeen directeur op datum van 3 juli 2009 werd het intern beroep ontvankelijk maar niet gegrond verklaard. De interne beroepsbeslissing stelde dat verzoekende partij tijdens het gesprek op 1 juli 2009 toegegeven heeft tijdens schriftelijke examens met de medestudent gepraat te hebben, maar dat verzoekende partij eraan toegevoegd heeft dat dit geen betrekking had op het examen zelf. De interne beroepsbeslissing werd tevens als volgt gemotiveerd: “Hoewel het algemeen geweten is dat praten met een andere student tijdens een examen niet geoorloofd en ontoelaatbaar is, en u tijdens ons gesprek ook hebt bevestigd dat u zelf ook wel beseft dat zoiets niet kan, verwacht u eigenlijk dat ik u op uw woord zou geloven. Gelet evenwel op de diverse getuigenissen van medestudenten en docenten en mede gelet op uw eigen Facebookgesprekken (o.a. het expliciete “als dat geen samenwerking was op het examen”) kom ik tot het besluit dat de examencommissie u terecht schuldig heeft bevonden aan bedrog of poging tot bedrog.”. De beslissing op intern beroep werd per aangetekend schrijven, gedateerd op 3 juli 2009, aan verzoekende partij overgemaakt. 3.4. Bij aangetekend schrijven van 14 juli 2009 diende verzoekende partij een verzoekschrift in bij de Raad. Het verzoekschrift werd aangevuld met een schrijven waarop de poststempel ontbrak. 4. Ontvankelijkheid van het verzoekschrift1. Uitputting interne beroepsmogelijkheden Verzoekende partij heeft het intern beroep regelmatig ingesteld en uitgeput. 2. Tijdigheid van het ingestelde beroep bij de Raad Verzoekende partij diende een verzoekschrift in bij de Raad bij aangetekend schrijven van maandag 14 juli 2009 tegen de beslissing op intern beroep van vrijdag 3 juli 2009. De beroepstermijn van vijf kalenderdagen begint te lopen de dag na die van de kennisname van de beslissing genomen op intern beroep. De beslissing op intern beroep werd per schrijven, gedateerd op 3 juli 2009, aan verzoekende partij overgemaakt. Uit de stukken blijkt evenwel niet op welke datum dit schrijven aangetekend aan verzoekende partij ter kennis is gebracht. De verwerende partij betwist ook niet dat het beroep bij de Raad tijdig is ingesteld. Onder die omstandigheden neemt de Raad derhalve aan dat het beroep van 14 juli 2009 tijdig werd ingesteld. De Raad beslist dat het beroep van verzoekende partij ontvankelijk is. 5. Grond van de zaak5.1. Uit het verzoekschrift kan worden opgemaakt dat de verzoekende partij zich in een eerste middel beroept op de schending van de materiële motiveringsplicht. 5.1.1. Argumenten van de partijen Verzoekende partij stelt niet akkoord te gaan met de beschuldiging van systematisch spieken tijdens drie verschillende examens. Verwerende partij stelt dat bij de uiteindelijke beoordeling geen rekening werd gehouden met de e-mail van de medestudent, noch met de anonieme brief van één of meer medestudenten, noch met de verklaringen van de toezichthouders van de examens op 2 en 5 juni 2009. Er is wel rekening gehouden met de eigen verklaringen van de beide studenten op facebook op 3 juni 2009 waaruit blijkt dat de studenten samenwerkten “opt examen” en af te leiden valt dat het niet de eerste keer is (“en ut ergste was khad lik voor één keer nog nx gezegd tijdens ut examen” over het examen op 2 juni 2006). Er werd tevens rekening gehouden met de verklaring van de toezichthouders tijdens het examen op 11 juni 2009. Op basis hiervan besliste het departementshoofd aan de examencommissie voor te stellen artikel ......... van het onderwijs- en examenreglement toe te passen voor de examens afgelegd op 3 en 11 juni 2009. Verwerende partij stelt dat de examencommissie op 23 juni 2006 uitgebreid kennis nam van zowel het verslag van het departementshoofd als de aanvullende verklaringen van de studenten die werden voorgelezen. Verwerende partij stelt dat verzoekende partij een andere interpretatie geeft aan haar uitlatingen op facebook, maar niet ontkent dat de geciteerde uitwisselingen wel degelijk plaatsgevonden hebben. Verwerende partij stelt bovendien dat de uitlatingen “elpt je mee”, “altijd é”, “wen da were vre goe gedaan!” en “als da geen samenwerking was opt examen” slechts voor één interpretatie vatbaar zijn. Verwerende partij stelt dat beide studenten hebben toegegeven tijdens het gesprek van 1 juli 2009 met de algemeen directeur dat ze tijdens schriftelijke examens gepraat hebben en beseffen dat zoiets niet kan. Verwerende partij spreekt uitdrukkelijk tegen dat beide studenten de verklaring van 17 juni 2009 onder dwang hebben ondertekend. Verwerende partij wijst er bovendien op dat door voorlezing van de aanvullende verklaringen van 19 juni 2009 van beide studenten tijdens de zitting van de examencommissie, de leden van de examencommissie ingelicht werden over het feit dat beide studenten afstand namen van hun eerdere bekentenis van 17 juni 2009. 5.1.2. Beoordeling door de Raad Het is niet aan de Raad om te oordelen of verzoekende partij fraude gepleegd heeft, maar wel om na te gaan of de verwerende partij haar oordeel dat de verzoekende partij fraude gepleegd heeft, heeft doen steunen op feiten die naar genoegen van recht bewezen zijn, en op grond waarvan de verwerende partij redelijkerwijze heeft kunnen oordelen dat de verzoekende partij fraude gepleegd heeft. De verzoekende partij ontkent niet de juistheid van de op facebook uitgewisselde informatie. Het argument dat zij op 17 juni 2009 de verklaring dat zij met een medestudente tijdens het examen gepraat heeft, onder dwang heeft ondertekend, wordt door geen enkel gegeven gestaafd. Deze feiten zijn van aard dat de verwerende partij redelijkerwijze heeft kunnen aannemen dat de verzoekende partij fraude heeft gepleegd, en motiveren meteen afdoende dat oordeel. Het middel is niet gegrond. 5.2. Uit het verzoekschrift kan worden opgemaakt dat de verzoekende partij zich in een tweede middel beroept op de schending van artikel ......... van het onderwijs- en examenreglement. 5.2.1. Argumenten van de partijen Uit het verzoekschrift kan afgeleid worden dat verzoekende partij stelt dat artikel ......... van het onderwijs- en examenreglement bepaalt dat elke poging tot bedrog onmiddellijk dient te worden gemeld. De beschuldiging van examenfraude dateert van 3 juni 2009, terwijl verzoekende partij pas op 17 juni 2009 op de hoogte werd gesteld. Verwerende partij stelt dat zowel de toezichthouder tijdens het examen van 29 mei 2009 als deze tijdens het examen van 2 juni 2009 de studenten tijdens het examen aanspraken over hun ongeoorloofd gedrag. Dit blijkt uit de schriftelijke verklaringen van de toezichthouders, maar ook uit de reacties van beide studenten op facebook op 3 juni 2009 waar ze bevestigen dat ze aangesproken en gewaarschuwd werden door een docent. Verwerende partij stelt dat de beslissing van het departementshoofd om beide studenten te horen op 17 juni 2009, gebaseerd was op het samenbrengen van een aantal verschillende indicaties en bewijzen die gaandeweg in de richting van eenzelfde vast patroon van ongeoorloofd gedrag wezen. Zodra voldoende betrouwbaar geacht materiaal voorlag, heeft het departementshoofd conform artikel ......... van het onderwijs- en examenreglement alle partijen, inclusief de examenombuds, ingelicht en de betrokken studenten geconfronteerd met de feiten. 5.2.2. Beoordeling door de Raad Artikel ......... van het onderwijs- en examenreglement bepaalt dat elke poging tot bedrog onmiddellijk dient te worden gemeld. Het oordeel dat de verzoekende partij zich schuldig gemaakt heeft aan fraude, steunt echter niet alleen op het praten met een medestudent tijdens examens, maar ook op andere informatie zoals berichten van medestudenten en de kennisname van de op facebook uitgewisselde informatie. Het is pas door het samenbrengen van deze verschillende elementen dat de verwerende partij kon vermoeden dat er mogelijk fraude was gepleegd. Van zodra deze gegevens haar bekend waren, heeft de tegenpartij zonder talmen de procedure aangevat en verder gezet. Het middel is niet gegrond. 5.3. Het bij de Raad ingestelde beroep is ongegrond. Besluit Om deze redenen beslist de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen na beraadslaging dat het beroep van ......... ontvankelijk doch ongegrond is. De beslissing van 3 juli 2009 genomen in het kader van het intern beroep blijft gehandhaafd. De Raad doet geen uitspraak over kosten, aangezien hij daarvoor niet bevoegd is. Tegen dit besluit is een beroep bij de Raad van State mogelijk overeenkomstig artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en het Koninklijk Besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State. Dit beroep dient schriftelijk en aangetekend te gebeuren binnen de dertig dagen na kennisgeving van deze beslissing en ondertekend te zijn door een advocaat. Bij het beroep moeten zijn gevoegd een kopie van het aangevochten besluit, de bijgevoegde stukken dienen genummerd en geïnventariseerd te zijn, en zes eensluidend verklaarde afschriften van het beroep. Aldus beslist op donderdag 13 augustus 2009 te Brussel. De voorzitter, De bijzitters, Marc Boes Daniël Cuypers Christiane Vanvinckenroye De secretarissen, Karla Van Lint Eddie Clybouw |