|
|
Pers. 3 - BOEKHOUDKUNDIGE VERWERKING VAN DE PERSONEELSKOSTEN(8 april 1997) 1. BOEKING DER MAANDELIJKSE PERSONEELSLISTINGS EN DE EVOLUTIE VAN DE ENVELOPPE
|
| 620000 | bezoldigingen (bruto + haard- en standgeld) |
| 453000 | patronale bijdrage RSZ ( niet op listing; zelf berekend bedrag) |
| aan | |
| 453000 | ingehouden voorheffing (bedrijfsvoorheffing) |
| 454000 | te betalen RSZ (RSZ volgens de listing + patronale RSZ) |
| 454500 | te betalen bijzondere bijdrage RSZ |
| 454700 | te betalen FOP (Fonds voor Overlevingspensioenen) |
| 455000 | netto-bezoldigingen |
De boekingen voor de maandelijkse voorzieningen inzake vakantiegeld en
eindejaarspremie zijn als volgt :
| 626000 | voorziening vakantiegeld |
| aan | |
| 456000 | te betalen vakantiegeld |
| 627000 | voorziening eindejaarspremie |
| aan | |
| 457000 | te betalen eindejaarspremie |
Opmerking
Voor elk van de drie hoger besproken boekingsposten dient geen analytische
opsplitsing te worden gemaakt op niveau van de balansrekeningen. Het
boekhoudbesluit dat deze verplichting oplegt, zal in die zin worden aangepast.
De boekhoudkundige verwerking van de werkingsuitkeringen is gebaseerd op de
staat “evolutie van het celkrediet”. Hierbij stellen zich echter een aantal
concrete problemen die hierna worden toegelicht :
• de bedragen die in mindering komen van de enveloppe zijn de sommen die
werden geordonnanceerd op niveau van de overheidsbegroting (kasbasis) en
verschillen van de wijze waarop de aanrekening gebeurt van de personeelskosten
en de enveloppe in de resultatenrekening (boekhoudkundig
overeenstemmingsprincipe);
• de korte termijn personeelsschulden en ermee overeenstemmende lange termijn vordering opgenomen in de beginbalans, hadden betrekking op de RSZ-werkgever en -werknemer 4e kwartaal 1995, de wedde december 1995 en het vakantiegeld over 1995. Theoretisch dienen beide rekeningen volledig gesaldeerd te zijn per jaareinde 1996. In de praktijk blijken zich echter de volgende situaties voor te doen:
• de patronale lasten die de hogeschool maandelijks boekt zijn gebaseerd op
berekeningen van haar eigen personeelsdienst. Deze berekening kan afwijken van
de werkelijke RSZ-betalingen die door het departement Onderwijs gestort worden.
Bovendien worden door laatstgenoemde instantie nog RSZ-achterstallen betreffende
1995 betaald en van de enveloppe afgehouden. De hogeschool heeft geen echte
controle op de berekening en opvolging van deze achterstallen.
Het ligt in de bedoeling van het departement Onderwijs om op korte termijn een
totaalopgave per hogeschool bekend te maken van de RSZ-achterstallen met
betrekking tot 1995 enerzijds en 1996 anderzijds .
• de patronale lasten worden door de hogeschool maandelijks berekend en
geboekt als te betalen RSZ. De werkelijke RSZ-betalingen (drie voorschotten en
het saldo) gebeuren door het departement Onderwijs en wel volgens een systeem
van voorschotten van 30 %, bepaald op basis van het saldo van het voorlaatste
kwartaal eraan voorafgaand. Op het einde van elk kwartaal wordt het saldo
betaald, op basis van alle betalingen die werden verricht tijdens het
betreffende kwartaal met betrekking tot dat kwartaal. Bovendien zijn er
RSZ-bijdragen op achterstallen die in een ander trimester worden betaald dan
deze waarop de RSZ betrekking heeft (b.v. herzieningen, uitgestelde bezoldiging
in juli en augustus van de tijdelijken,...).
Vanuit interne controle-standpunt is het aan te bevelen dat de gestorte
RSZ-bijdragen (afgepunt op de enveloppe volgens het financieel systeem) op
kwartaalbasis gereconcilieerd worden met de maandelijks geboekte RSZ-lasten.
Eventuele niet te identificeren RSZ-verschillen (op de rekening 454000) dienen
op een aparte rekening (wachtrekening 499000) te worden afgezonderd en nadien
opgevolgd. Deze verschillen kunnen mogelijks gecompenseerd worden met de overige
RSZ-verschillen voortkomend uit een ander kwartaal.
Het departement Onderwijs zal bijkomende informatie ter beschikking stellen
inzake deze RSZ-problematiek, zodat op kwartaalbasis een sluitende reconciliatie
mogelijk zou worden.
Per jaareinde 1996 moeten de hierna opgesomde rekeningen de volgende saldi vertonen :
• Rekening 453000 : de bedrijfsvoorheffing op de wedden van december 1996
• Rekening 454000 : de RSZ (werknemer) betreffende het vierde kwartaal 1996
(volgens listing)
de patronale RSZ betreffende het vierde kwartaal 1996
(zelf berekend)
de RSZ-achterstallen m.b.t. 1995 en 1996 (zelf berekend).
• Rekening 455000 : de netto-wedde van de maand december 1996
• Rekening 456000 : het vakantiegeld m.b.t. boekjaar 1996
• Rekening 400000 : de werkingsvordering 1996 op het departement Onderwijs bevattende :
- restsaldo werking 1996 (# 400.000)
- restsaldo personeel 1996 (# 400.000)
- rest voorafnames 1996 (# 400.100)
Deze bedragen moeten overeenstemmen met de staat “saldo enveloppe 1996” vanwege
het departement Onderwijs. Bovendien moet het totaalsaldo gelijk zijn aan de
betaling door het departement Onderwijs begin 1997.
Het feit dat dit restsaldo vrij hoog ligt in vergelijking met de gestorte drie
werkingsvoorschotten, wordt grotendeels verklaard door de RSZ die nog als
achterstal (in 1997) moet betaald worden op de uitgestelde bezoldigingen betaald
aan de tijdelijken in de maanden juli en augustus 1996. Dit verklaart op zijn
beurt de belangrijke uitstaande schuldenrekening “te betalen RSZ” per 31
december 1996.
• Rekening 414100 : terug te vorderen niet-belastbare vergoedingen
Zoals hoger besproken, moet het eindsaldo van deze vordering voortvloeien
enerzijds uit de maandelijkse boekhoudkundige verwerking van de loonlistings,
meer bepaald de interne regularisaties die erin zijn opgenomen, en anderzijds de
ontvangen terugstortingen. Een accurate opvolging van de niet-belastbare
vergoedingen gedurende het boekjaar zal bijgevolg resulteren in een correct
saldo van de openstaande vordering per jaareinde. Indien een degelijke opvolging
ontbreekt en alle regularisaties bijvoorbeeld als personeelskost werden
verwerkt, kan het bedrag van de vordering worden bepaald op basis van de
afschriften van de terugvorderingsbrieven gericht aan de hogeschool, inzoverre
die betrekking hebben op salarislasten van boekjaar 1996 en voordien.
• Rekening 290000 : historische vordering 1995 op departement Onderwijs,
voortvloeiend uit de beginbalans.
Deze vordering bevat een bedrag uit het verleden dat eenmalig (ten onrechte)
aan de hogeschool is ontnomen via verrekening op de enveloppe 1996 en betrekking
heeft op salariselementen van vóór de inwerkingtreding van de
enveloppe-financiering.
Het saldo van deze lange termijnvordering per eind 1996 heeft dus nog steeds
betrekking op de (eventueel gecorrigeerde) personeelsschulden van eind 1995 en
niet op de ermee overeenstemmende van 1996. De hogere of lagere sociale schulden
eind 1996 t.o.v. eind 1995 m.b.t. de RSZ 4e kwartaal, wedde december en
vakantiegeld, komen immers tot uiting op de rekening 400000 werkingsuitkeringen
en zullen effectief aanleiding geven tot uitbetaling van een hoger of lager
restsaldo.
De enige vraag die omtrent deze lange termijnvordering kan worden gesteld is te weten of zij al dan niet mag geïndexeerd worden om rekening te houden met de loonindexeringen, toeslagen voor anciënniteit,....
Als conclusie kan gesteld worden dat in de jaarrekening van 1996 een lange
termijnvordering moet getoond worden, zowel voor boekjaar 1995 als 1996. Het
bedrag opgenomen in de beginbalans 1995 kan eventueel verschillen van het saldo
per jaareinde 1996, wegens hoger aangestipte redenen.
Basisprincipes : wedde juli 199X heeft als referteperiode sept.- dec. 199X-1
wedde aug 199X heeft als referteperiode jan.-juni 199X
Met ingang van 1 januari 1997 zou het systeem van de uitgestelde bezoldigingen voor de tijdelijken afgeschaft worden, op enkele uitzonderingen na (de interimarissen die geen volledig jaar in dienst zijn, aanstellingen van minder dan 1 jaar). Zulks impliceert dat de betrokkenen tijdens de maanden juli en augustus 1997 gewoon zullen in dienst blijven en doorbetaald worden.
In juli 1997 zullen alle tijdelijken nog een wedde krijgen met als
referteperiode september tot december 1996. Vermits deze betaling (=herziening)
eigenlijk een gewone bezoldiging vertegenwoordigt voor de maand juli 1997 en dus
de prestaties/activiteiten vergoedt voor die betreffende periode, dient er per
jaareinde 1996 geen voorziening te worden opgezet voor deze uitgestelde
bezoldiging. De salarislast van juli 1997 heeft immers geen betrekking op de
periode september-december 1996. Deze periode dient enkel als referteperiode te
worden aanzien voor doeleinden van berekening.
Een voorziening (bruto-salaris, verhoogd met de patronale RSZ) is echter wel
vereist voor de uitgestelde bezoldiging van de tijdelijke personeelsleden die
geen volledig jaar in dienst waren (interimarissen).
Tenslotte wordt opgemerkt dat in elk geval (voor alle tijdelijken) per
jaareinde 1996 een voorziening vereist is voor de achterstallige RSZ-schulden op
deze uitgestelde bezoldigingen.
De salarislasten die werden afgepunt op de enveloppe 1996 bevatten een aantal
regularisaties m.b.t. een vroegere periode. Uit de praktijk blijkt dat deze
regularisaties kunnen oplopen tot ongeveer 1% van de bruto-salariskost.
Conform het voorzichtigheidsprincipe, dient daarom per jaareinde 1996 een
voorziening geboekt te worden voor de mogelijke regularisaties m.b.t. de
salariskost 1996, die zullen doorgevoerd worden en afgehouden van de enveloppe
1997.
Deze voorziening kan vastgesteld worden op een forfaitair percentage van de
bruto-loonkost, en bepaald op basis van een extrapolatie over 1 jaar van de
rechtzettingen die het eerste kwartaal 1997 bevat betreffende boekjaar 1996.
Desgevallend mag het percentage eveneens bepaald worden op basis van de
verhouding tussen de rechtzettingen die er in boekjaar 1996 zijn geweest en de
totale bruto-loonkost 1996.
De salariskosten die de hogeschool heeft gedragen betreffende
bevallingsverloven in 1996 worden terugbetaald door het departement Onderwijs
via een overeenkomstige verhoging van de enveloppe van het jaar 1997. Vóór
jaareinde 1996 werd elke hogeschool op de hoogte gebracht van het bedrag van
dergelijke extra-uitkeringen inzake bevallingsverloven die in 1997 zullen
uitgekeerd worden.
Toepassing makend van het overeenstemmingsprincipe tussen kosten en opbrengsten
(matching beginsel), dient deze extra-uitkering als vordering in de eindbalans
1996 te worden opgenomen (rekening # 400400) tegenover de rekening 700400
“werkingsuitkeringen” bevallingsverloven.
Deze nieuwe uittredingsregeling is slechts van toepassing vanaf 1 januari
1997. Bijgevolg kan deze “nieuwe” TBS nog geen invloed hebben op de afsluiting
per 31 december 1996.
De aflopende “oude” TBS-regeling kan echter wel een effect hebben op de
afsluiting van boekjaar 1996, in de mate dat er vóór jaareinde personeelsleden
onder deze TBS-regeling werden geplaatst. De boekhoudkundige verwerking van
beide systemen is echter gelijklopend.
De nieuwe TBS 55+-regeling voorziet in een vervroegde pensionering met behoud van 75 % van de wedde. Het gedeelte 75% van het salaris wordt door de hogeschool betaald via afhouding van de enveloppe en dient opgesplitst te worden als volgt :
• 12,5% ten laste van de hogeschool;
• 62,5% wordt aan de hogeschool terugbetaald via een overeenkomstige verhoging
van de werkingsuitkeringen in de erop volgende jaren.
De boekhoudkundige behandeling van beide componenten ziet er als volgt uit :
Ten belope van de 12,5 % van de bruto-wedde moet de hogeschool een voorziening voor risico’s en kosten opzetten en dit voor de gehele periode van terbeschikkingstelling tot de datum van pensionering. De hogeschool moet bijgevolg de 12,5% salariskost over de volledige TBS-periode opnemen (provisioneren) in het jaar waarin deze nieuwe uitstapregeling voor het betrokken personeelslid wordt beslist en goedgekeurd. Deze voorziening dient jaarlijks te worden aangepast en geactualiseerd, ondermeer om rekening te houden met de gedane betalingen. Deze betalingen worden onder de personeelskosten in een afzonderlijke rekening # 624000 opgenomen. Deze TBS-kosten zijn zodoende afgezonderd van de andere salariskosten, wat toelaat ze buiten beschouwing te laten bij de berekening en evaluatie van de 80/20-regel. De kost van de TBS-betalingen wordt geneutraliseerd door een overeenstemmende terugname van de voorzieningsrekening. De TBS-regeling heeft aldus enkel een kostenverhogend effect in het jaar waarin de beslissing wordt genomen.
De dotatie aan, resp. besteding van de voorziening voor risico’s en kosten (rekening # 160000) verloopt via de resultatenrekeningen # 635000 (toevoeging), respectievelijk rekening # 635100 (besteding en terugneming).
Het gedeelte 62,5% van de bruto-salariskost wordt eveneens in de rekening #
624000 opgenomen. Deze last dient te worden geneutraliseerd door het opzetten
van een vordering “werkingsuitkeringen TBS” (rekening # 400500) voor hetzelfde
bedrag, met als tegenpost de opbrengstenrekening “werkingsuitkeringen” rekening
# 700500. In de mate dat de TBS-regeling gepaard gaat met een voorfinanciering
van meer dan één boekjaar (bv. TBS last 1997 wordt terugbetaald via de enveloppe
1997 en 1998), moet een lange termijnvordering geopend worden (rekening #
290500).
Het overschot op de globale voorafname van de totale HOBU-enveloppe werd
herverdeeld onder de hogescholen. Via de staat “saldo enveloppe 1996” werd dit
extra-bedrag aan werkingsuitkeringen bekend gemaakt. Vermits deze
extra-enveloppe betrekking heeft op 1996 en pas begin 1997 werd uitbetaald,
dient per jaareinde 1996 een vordering opgezet te worden voor deze
extra-werkingsuitkeringen (zoals reeds hoger besproken). Dit overschot
voorafnames 1996 moet geboekt worden in de rekening # 700100, terwijl voor de
vordering bij voorkeur de rekening 400100 “extra-werkingsuitkeringen” wordt
gebruikt.
Alle opbrengsten en kosten met betrekking tot 1995 en vroeger die, bij
gebreke aan toereikende voorziening in de beginbalans, ten laste c.q. te gunste
vallen van de resultatenrekening van boekjaar 1996, dienen als een
uitzonderlijke kost c.q. opbrengst in de resultatenrekening van 1996 te worden
opgenomen.
De jaarrekening per 31 december 1996 bevat, wat de balans betreft,
vergelijkende cijfers 1996 t.o.v. 1995. De cijfers van 1995 betreffen de
beginbalans, opgemaakt op 1 januari 1996.
Vermits een goedgekeurde beginbalans achteraf niet meer kan gewijzigd worden,
moeten de vergelijkende cijfers 1995 in de jaarrekening 1996 overeenstemmen met
de beginbalans. Zoals hoger aangestipt, moeten alle rechtzettingen betreffende
de beginbalans via de uitzonderlijke resultaten van 1996 verwerkt worden, zonder
enige correctie aan te brengen aan de beginbalans.
Wanneer echter de bedragen van boekjaar 1996 niet vergelijkbaar zouden zijn
met die van de beginbalans (andere classificatie/rubricering), mogen
laatstgenoemde cijfers worden aangepast met het oog op hun vergelijkbaarheid. In
dit geval worden de aanpassingen, behalve indien deze onbelangrijk zijn, in de
toelichting vermeld en, onder verwijzing naar de betrokken rubrieken,
toegelicht.
Voormelde aanpassingen van de beginbalans kunnen enkel betrekking hebben op
herclassificaties van bepaalde rekeningen en rubrieken met het oog op de
consistentie in de classificatie, doch kunnen in geen enkel geval leiden tot een
wijziging in het patrimonium van de hogeschool, zoals vastgesteld in de
beginbalans.
Ten titel van voorbeeld zijn de volgende wijzigingen mogelijk in de beginbalans :
• de “historische” vordering 1995 op het Departement Onderwijs stond in de beginbalans als kortlopend geboekt en moet voor de vergelijkbaarheid met 1996 op lange termijn geplaatst worden in de jaarrekening;
• in de beginbalans per 01.01.1996 werd de volledige enveloppe 1996 als korte
termijnvordering opgenomen t.o.v. de overlopende passiefrekening.
Aangezien in de eindbalans van 1996 de enveloppe 1997 niet wordt opgenomen,
moeten zowel de vordering als overlopende rekening uit de beginbalans verwijderd
worden (zonder resultaatseffect).