Veelgestelde vragen - EPD
U vindt hier een aantal thema’s in verband met het EPD een aanvulling op of
verduidelijking van de technische handleidingen.
De informatie wordt aangeboden op basis van trefwoorden, in alfabetische
volgorde:
U vindt de technische handleidingen op de website van Edison:
http://www.ond.vlaanderen.be/edison/ en onze mededeling van 5 maart 2007
verduidelijkt deze handleidingen.
Gepensioneerde personeelsleden kunnen tot hun 65ste een deel van hun
activiteiten in de hogeschool verder zetten en ontvangen hiervoor een
activiteitsvergoeding. Dit valt onder de bepaling van art. 141 bis van het
hogescholendecreet.
Dit wordt in EPD gemeld met de aanstellingscode ‘07’ in veld 11.
Er kan enkel een bedrag worden ingevuld en de aanduiding VG en EJT.
De activiteitsvergoeding kan enkel doorgegeven worden met ATO 2,
personeelscategorie 03 én er moet een pensioendatum zijn in de hogeschool.
naar boven
De woonplaats wordt doorgegeven met de RL-5, de verblijfplaats met de RL-6.
In het EPD is de woonplaats het officiële adres van het personeelslid in
België (adres van domiciliëring).
De RL-5 om de woonplaats te melden laat alleen adressen in België toe: in veld 7
kan enkel een geldige Belgische postcode opgegeven worden. Personeelsleden die
in het buitenland wonen, hebben dus alleen een verblijfplaats.
De verblijfplaats in EPD is het adres van verblijf van het personeelslid. Dit
adres wordt gebruikt als correspondentieadres. Indien de verblijfplaats
ontbreekt, wordt de correspondentie naar de woonplaats gestuurd. Met de RL-6
(melden verblijfplaats) kunnen ook buitenlandse adressen doorgegeven worden.
Bijvoorbeeld:
Een Belg met domicilie in Nederland en verblijfplaats in Nederland op een ander
adres: er wordt geen woonplaats gemeld, wel de verblijfplaats in Nederland op
het ander adres.
Een Nederlander met domicilie in Nederland en verblijfplaats in België: er wordt
geen woonplaats gemeld, wel de verblijfplaats in België.
naar boven
Een ambtswijziging moet doorgegeven worden met een dienstonderbreking.
De DO 124 ‘waarnemen van een ambtswijziging hogescholen onbezoldigd’ is een
opdrachtgebonden dienstonderbreking en wordt doorgegeven met een RL-12.
Dit geldt zowel voor benoemde als tijdelijke personeelsleden die een
ambtswijziging krijgen.
Voorbeeld :
Een lector wordt betaald met salarisschaal 502 voor een opdracht van 100 %.
Hij krijgt een ambtswijziging en wordt aangesteld in het ambt van hoofdlector
voor 100 %.
Dit moet elektronisch als volgt worden doorgegeven:
RL-12 Lector salarisschaal 502 voor 100 % met een dienstonderbreking
‘waarnemen van een ambtswijziging hogescholen onbezoldigd’ voor 100 %.
RL-12 Hoofdlector salarisschaal 509 voor 100 % met het kenmerk van de
ambtswijziging (“02” in veld 11).
Indien een benoemd personeelslid onmiddellijk een benoeming krijgt in een
ander ambt gaat het om een bevordering, en moet er geen ambtswijziging worden
doorgegeven.
Indien een benoemd personeelslid een ambtswijziging krijgt (art. 90bis) moet er
een DO 124 worden doorgegeven, zoals hierboven beschreven. De opdracht met de
ambtswijziging moet administratief met ATO2 worden doorgegeven. De betaling
gebeurt wel met de afhoudingen als benoemde.
Onder het trefwoord ‘mandaten’ vindt u een voorbeeld van een ambtswijziging
en een mandaat tegelijkertijd.
naar boven
Het aanvragen van een begrafenisvergoeding gebeurt nog steeds op papier,
zoals nu het geval is. Er is geen elektronische tegenhanger voorzien om dit te
melden. Er is een nieuw
formulier
gemaakt om deze
vergoeding aan te vragen.
naar boven
Het bevallingsverlof wordt doorgegeven met een dienstonderbreking.
De DO 129 ‘bevallingsverlof hogescholen’ is een instellingsgebonden
dienstonderbreking en wordt opgezonden via een RL-2 met stuurcode 23129 (melding
bevallingsverlof hogescholen) volgens het zendprincipe “melding-annulatie-melding”.
Alleen de begindatum en de einddatum van het bevallingsverlof worden door de
hogeschool opgegeven. Het is niet nodig de vermoedelijke en de effectieve
bevallingsdatum te zenden. Er gebeurt m.a.w. geen interne berekening van de duur
van het bevallingsverlof door het EPD.
Voor benoemde personeelsleden wordt deze DO bezoldigd, voor tijdelijke
personeelsleden niet.
Principe:
Het bevallingsverlof moet in de hogeschool eerst berekend worden op basis van
de vermoedelijke bevallingsdatum. Na deze berekening moet de betrokken periode
onmiddellijk worden opgezonden via een RL-2. Voor tijdelijke personeelsleden is
het bevallingsverlof immers niet bezoldigd. Wanneer het bevallingsverlof
onmiddellijk wordt doorgezonden kunnen later mogelijke terugvorderingen worden
vermeden.
Wanneer de werkelijke bevallingsdatum gekend is, moet er een herberekening
van het bevallingsverlof gebeuren op basis van de werkelijke bevallingsdatum.
Wanneer deze periode verschilt van de berekening op basis van de vermoedelijke
bevallingsdatum moet het eerst gemelde bevallingsverlof worden geannuleerd (met
stuurcode 25129) en moet de nieuwe periode van het bevallingsverlof terug worden
opgezonden (met stuurcode 23129).
Er zijn geen aparte DO codes voorzien voor verlengingen van het
bevallingsverlof (met uitzondering van de DO 118 ‘facultatieve verlenging
bevallingsverlof bij hospitalisatie kind’).
Eventuele verlengingen zoals bv. verlenging van het bevallingsverlof bij
langdurige ziekte worden met de DO 129 doorgegeven. In dit geval moet de
einddatum van het bevallingsverlof door de hogeschool worden verlengd met 1 week
en zo worden doorgegeven.
Hieronder volgt een overzicht van mogelijke verlengingen en de manier van
doorsturen in het EPD.
a) verlenging van het bevallingsverlof bij langdurige ziekte
In artikel 271 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen worden
de volgende wijzigingen aangebracht aan artikel 39 van de arbeidswet van 16
maart 1971:
« Op vraag van de werkneemster wordt de periode van arbeidsonderbreking na de
negende week verlengd met één week, wanneer de werkneemster ongeschikt is
geweest om haar arbeid te verrichten wegens ziekte of ongeval gedurende de ganse
periode vanaf de zesde week voorafgaand aan de werkelijke datum van de
bevalling, of de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt
verwacht. »
Deze wijzigingen gaan in voor bevallingen die plaatsvinden vanaf 1 september
2006.
Wanneer er 42 dagen ziekteverlof voor de werkelijke bevallingsdatum liggen
voor een bevalling met 1 kind of wanneer er 56 dagen ziekteverlof voor de
werkelijke bevallingsdatum liggen voor een bevalling met een meerling, dan mag
het bevallingsverlof met 1 week postnatale periode verlengd worden.
Het bevallingsverlof kan zo 16 (6 + 9 +1) weken (i.p.v. 15 weken) duren voor
een bevallingsverlof met 1 kind of 20 (8 + 9 + 2 +1) weken (i.p.v. 19 weken)
voor een bevallingsverlof met een meerling.
Het bevallingsverlof met 1 kind kan zo 6 weken prenatale periode, 9 weken
verplichte postnatale periode en 1 week facultatief postnataal verlof bedragen
en dit laatste wegens 42 dagen ziekteverlof voor de werkelijke bevallingsdatum.
Dit betekent dat de totale duur van het bevallingsverlof bij de geboorte van 1
kind 16 weken kan duren (bij een overschrijding van de prenatale periode bij een
laatgeboorte zelfs nog langer).
Het bevallingsverlof met een meerling kan zo 8 weken prenataal verlof, 9
weken verplicht postnataal verlof en 2 weken facultatief postnataal verlof
bedragen. Daar kan dan nog eens 1 week facultatief postnataal verlof aan worden
toegevoegd wegens 56 dagen ziekteverlof in de 8 weken voor de effectieve
bevallingsdatum.
Dit betekent dat de totale duur van het bevallingsverlof bij de geboorte van een
meerling 20 weken kan bedragen (bij een overschrijding van de prenatale periode
bij een laatgeboorte zelfs nog langer).
Het moet gaan om een volledige periode van minimum 42 dagen voor een
bevalling met 1 kind of een volledige periode van minimum 56 dagen voor een
bevalling met een meerling. Wanneer het ziekteverlof geen volledige periode van
6 weken of 8 weken beslaat mag de extra week bevallingsverlof niet worden
toegekend. De periode van minimum 42 dagen ziekteverlof of minimum 56 dagen
ziekteverlof moet aansluiten bij de werkelijke bevallingsdatum. Er mag geen
arbeidshervatting geweest zijn tussen het ziekteverlof en de werkelijke
bevallingsdatum.
Het gaat om facultatief postnataal verlof: wanneer er 42 dagen ziekteverlof
(bevalling met 1 kind) of 56 dagen ziekteverlof (bevalling met een meerling)
voor de werkelijke bevallingsdatum liggen kan het bevallingsverlof met 1
week postnataal verlof verlengd worden. Het personeelslid is echter niet
verplicht om deze week extra te nemen.
b) Bevallingsverlof met een meerling:
Bij geboorte van een meerling kan de moeder, indien ze dit wenst, het totale
bevallingsverlof van zeventien weken verlengen met twee weken postnataal verlof.
Voor bevallingsverloven met een meerling kan, op verzoek van het
personeelslid zelf, de postnatale periode van 9 weken (deze kan eventueel ook
nog verlengd worden met de periode tijdens welke de gerechtigde is blijven
doorwerken vanaf de 8ste tot en met de 2de week voor de geboorte van een
meerling) verlengd worden met een periode van maximaal twee weken.
Het bevallingsverlof met een meerling kan zo 8 weken prenataal verlof, 9 weken
verplicht postnataal verlof en 2 weken facultatief postnataal verlof bedragen.
Dit betekent dat de totale duur van het bevallingsverlof bij de geboorte van
een meerling 19 weken kan bedragen (bij een overschrijding prenatale periode
zelfs nog langer).
Dit wordt in het EPD ook opgevangen door de einddatum van het
bevallingsverlof met 2 weken te verlengen.
c) Facultatieve verlenging bevallingsverlof bij hospitalisatie kind
Wanneer het pasgeboren kind langer dan zeven dagen na de geboorte in het
ziekenhuis moet blijven, kan de periode van het postnataal verlof verlengd
worden met de duur van de periode dat het kind na de eerste zeven dagen in het
ziekenhuis verblijft. De duur van deze verlenging mag maximum 24 weken zijn. In
dit geval moet de werkneemster aan de werkgever op het einde van haar postnataal
verlof een getuigschrift voorleggen waaruit de opname blijkt en waarop de duur
van de opname vermeld is. Eventueel moet ze een tweede getuigschrift bezorgen
bij het einde van de verlenging van de postnatale rust, waaruit blijkt dat het
kind nog steeds het ziekenhuis niet heeft verlaten en met de vermelding van de
duur van de opname.
De startdatum van de verlenging van het bevallingsverlof omwille van de
hospitalisatie van het kind moet steeds liggen na de einddatum van het volledige
reguliere bevallingsverlof. Dit wordt dan maximaal 15 weken + 24 weken voor een
bevallingsverlof met 1 kind en 17 weken + 24 weken voor een bevallingsverlof met
een meerling. Indien het gaat om een bevallingsverlof met een meerling met 2
weken facultatief bevallingsverlof wordt dit 19 weken + 24 weken. De verlenging
van de postnatale periode met 1 week wegens langdurige ziekte (zie a)) kan hier
ook nog eens bijkomen indien het van toepassing is.
De periode van hospitalisatie van het kind wordt in het elektronisch
personeelsdossier met de DO 118 “verlenging bevallingsverlof hospitalisatie
kind” aangeduid.
Op deze dienstonderbreking werd een registratiecontrole geplaatst. Het
verschil tussen de begin- en einddatum van de “verlenging bevallingsverlof
hospitalisatie kind” mag niet meer dan 24 weken bedragen.
De code 118 “verlenging bevallingsverlof hospitalisatie kind” moet steeds
aansluiten bij het “oorspronkelijke” bevallingsverlof.
naar boven
Elektronische
zendingen Centraal Fonds (word, 121kB, 4p)
naar boven
Voor de voltijdse personeelsleden van het OP die ambtshalve of op eigen
verzoek een deeltijdse opdracht uitoefenen op basis van de cumulatieregeling van
de artikelen 147, 148 en 149 van het hogescholendecreet is dienstonderbreking DO
139 voorzien.
De opdracht van een personeelslid van een hogeschool kan ambtshalve worden
beperkt tot maximum 70 % van een volledige opdracht. De opdracht waarvan het
personeelslid titularis is, moet echter volledig kunnen worden doorgegeven.
Voor het deel van de opdracht dat niet meer wordt uitgeoefend moet er een
dienstonderbreking worden genomen.
Deze dienstonderbreking wordt ook gebruikt indien een personeelslid van het OP
een politiek mandaat opneemt en in functie van deze cumul een deeltijdse
opdracht krijgt.
DO 139 ‘deeltijds omwille van cumulatie onbezoldigd’ is een opdrachtgebonden
dienstonderbreking die wordt doorgegeven met een RL-12.
De dienstonderbreking is alleen geldig voor het personeel van de hogescholen en
niet voor het personeel van de andere onderwijsniveaus buiten het hoger
onderwijs. Deze DO is alleen geldig voor het onderwijzend personeel van de
hogescholen en niet voor de andere personeelscategorieën.
De code geldt zowel voor tijdelijke als voor vastbenoemde personeelsleden.
Deze dienstonderbreking is zowel voor vastbenoemde als voor tijdelijke
personeelsleden onbezoldigd. Deze dienstonderbreking is non-activiteit, en telt
niet mee voor de geldelijke en de sociale anciënniteit.
naar boven
- Dienstonderbrekingen die geen invloed hebben op de betaling worden ook
doorgegeven, omwille van de volledigheid van het dossier en de
administratieve correctheid.
Dit zijn bijvoorbeeld DO 90 omstandigheidsverlof en DO 125
samenwerkingsovereenkomst hogescholen. De samenwerkingsovereenkomsten voor
de personeelsleden van het centraal fonds waarbij de loonkost door de derde
instantie wordt terugbetaald aan het centraal fonds, moeten verplicht worden
doorgegeven.
- In de tabel dienstonderbrekingen hogescholen (zie pilootpagina
hogescholen Edison:
http://www.ond.vlaanderen.be/edison/Wie/Schoolauto/hooizolder.asp?piloten#Hogescholen
staat bij elke dienstonderbreking aangegeven:
- of ze al dan niet van toepassing is voor hogescholen
- het bereik van de diensonderbreking:
P: persoonsgebonden: de dienstonderbreking wordt gehangen aan alle
opdrachten van het personeelslid
O: opdrachtgebonden: de dienstonderbreking wordt gehangen aan een
opdracht
I: instellingsgebonden: de dienstonderbreking wordt gehangen aan alle
opdrachten binnen de hogeschool
L: leerplangebonden: de dienstonderbreking wordt gehangen aan alle
opdrachten binnen een bepaald leerplan.
- met welke RL (2 of 12) ze wordt doorgestuurd
- de begin- en einddatum van de geldigheidsperiode van de
dienstonderbreking.
Volgende regeling werd uitgewerkt in verband met het hoger onderwijs:
- definitie van het bereik van een persoonsgebonden of
leerplangebonden dienstonderbreking die wordt opgezonden met een RL-2:
Een persoonsgebonden of een leerplangebonden dienstonderbreking die
wordt opgezonden met een RL-2 door andere onderwijsniveaus buiten het
hoger onderwijs, wordt alleen gehangen aan de opdrachten van de andere
onderwijsniveaus buiten het hoger onderwijs. Een persoonsgebonden of
leerplangebonden dienstonderbreking opgezonden door de andere
onderwijsniveaus buiten het hoger onderwijs wordt dus niet gehangen aan
opdrachten van het hoger onderwijs.
Een persoonsgebonden of leerplangebonden dienstonderbreking die wordt
opgezonden met een RL-2 door een hogeschool wordt alleen gehangen aan
alle opdrachten van de betrokken hogeschool en niet aan de opdrachten
van de andere onderwijsniveaus buiten het hoger onderwijs. Ze wordt ook
niet gehangen
gehangen aan de opdrachten van een andere hogeschool. Een
persoonsgebonden of een leerplangebonden dienstonderbreking heeft dus,
indien ze wordt opgezonden door een hogeschool, de waarde van een
instellingsgebonden dienstonderbreking.
- opdrachtgebonden dienstonderbrekingen worden steeds samen met de
opdracht gemeld in dezelfde RL-12. Ze werken dus ook met het
fotoprincipe en de einddatum van de opdrachtgebonden dienstonderbrekin¬gen
kan meegedeeld worden. Men heeft daarbij verschillende mogelijkheden:
- Men kent de einddatum van de opdrachtgebonden dienstonderbreking
niet. In dat geval kan men de einddatum van de opdrachtgebonden
dienstonderbreking op "31/12/2999" zetten.
Indien men de einddatum op onbepaald (31/12/2999) zet, loopt de
opdrachtgebonden dienstonderbreking mee met de opdracht. Is de einddatum
van de opdracht onbepaald, dan loopt de opdrachtgebonden
dienstonderbreking ook door. Wanneer de opdracht gestopt wordt, stopt
ook automatisch de opdrachtgebonden dienstonderbreking.
- Men kent de einddatum van de opdrachtgebonden dienstonderbreking en
men wenst die ook mee te delen.
In dat geval stopt de dienstonderbreking op de opgegeven einddatum.
Indien de eindda¬tum van de opdracht later ligt dan de einddatum van de
dienstonderbreking blijft de opdracht lopen.
- De opdrachtgebonden dienstonderbreking eindigt toch vroeger dan
verwacht. In dat geval moet de opdracht opnieuw worden opgegeven zonder
de opdrachtgebonden dienst¬onderbreking te herhalen. De
dienstonderbreking zal dan worden stopgezet vanaf de opgegeven
geldigheidsdatum van de laatst opgezonden opdracht.
- Enkele principes:
Vraag 1:
Bij de overstap naar EPD bezorgt de hogeschool de “foto” van alle opdrachten
van alle personeelsleden met als begindatum/geldigheidsdatum de gekozen
datum van instap in het EPD bv. 1/9/2007, 1/10/2007...
Wat met personeelsleden die bij de start EPD (vb. op 1-9-2007) een volledige
dienstonderbreking genieten?
Antwoord 1:
Ook voor deze personeelsleden moet er bij de start van EPD op 1-9-2007 een
RL-12 worden opgestuurd met de opdracht van dit personeelslid én een
dienstonderbreking (RL-12 of RL-2) met als geldigheidsdatum 1-9-2007 om de
volledige dienstonderbreking te melden. Deze informatie is niet gekend in
EPD en moet daarom verstuurd worden. Er moet voor alle personeelsleden,
zowel degenen met een betaling als zonder een betaling, een zending gebeuren
met geldigheidsdatum 1-9-2007 en met de correcte toestand van het
personeelslid op die datum.
Vraag 2:
Wanneer een voltijdse dienstonderbreking gemeld wordt via RL-2 met een
begin- en een einddatum moet er dan een nieuwe RL-12 doorgestuurd worden met
de situatie op de dag na de einddatum van de voltijdse dienstonderbreking?
Antwoord 2:
Algemeen principe: er moet geen nieuwe RL-12 worden doorgezonden na het
melden van een RL-2. Een dienstonderbreking opgezonden met een RL-2 werkt
onafhankelijk van een RL-12. De dienstonderbreking wordt "geplakt" aan de
betrokken opdracht die reeds werd opgezonden via een RL-12. Wanneer de
einddatum van de opdracht later in de tijd ligt dan de einddatum van de
dienstonderbreking, dan loopt de opdracht gewoon verder. Het is niet nodig
om een nieuwe RL-12 op te zenden. Dit mag maar is totaal overbodig.
Er is wel een uitzondering op deze regel: u vindt deze terug in vraag en
antwoord 3 hieronder.
Vraag 3:
Houdt het weddensysteem steeds automatisch rekening met anciënniteit die
stopt of doorloopt tijdens de dienstonderbreking afhankelijk van het soort
voltijdse dienstonderbreking?
Antwoord 3:
Het weddensysteem houdt geen rekening met dienstonderbrekingen voor wat
betreft de anciënniteit. De anciënniteit wordt berekend in de hogeschool, er
gebeurt hier geen enkele vorm van anciënniteitberekening (buiten het wel en
niet ophogen van de anciënniteit – veld 16 en de blokkering van de
anciënniteit – veld 17).
Wanneer er bijvoorbeeld een voltijdse onbezoldigde dienstonderbreking
wordt genomen die niet mag meetellen voor de anciënniteit zou de
anciënniteit moeten geblokkeerd worden gedurende de volledige duur van de
dienstonderbreking. De hogeschool zal dit zelf moeten aangeven in veld 16
van de RL-12. Indien dit niet gebeurt, dan zal ook gedurende de duur van de
dienstonderbreking de anciënniteit maand per maand worden opgehoogd. In de
praktijk zal dit geen probleem leveren omdat er toch geen wedde is. Voor de
administratieve correctheid in het EPD is het echter wel nodig, en het kan
ook een rol spelen als er herzieningen gebeuren. Het is dus zeker aangeraden
om de anciënniteit via een RL-12 te blokkeren. Na de einddatum van de
dienstonderbreking moet er dan een nieuwe RL-12 gezonden worden met de
correcte, dus niet verhoogde (en niet meer geblokkeerde) anciënniteit.
Eigenlijk is het dus beter om bij onbezoldigde dienstonderbrekingen die
niet mogen meetellen voor de anciënniteit (TBS/pa, onbezoldigd ziekteverlof
voor tijdelijke personeelsleden) geen RL-2 te gebruiken maar een RL-12. Dan
kan de anciënniteit onmiddellijk geblokkeerd worden.
Bijvoorbeeld voor:
- TBS/pa: 098 - opdrachtgebonden
- onbezoldigd ziekteverlof tijdelijken : 134 - opdrachtgebonden (en
niet 131 - instellingsgebonden)
- TBS ziekte benoemden: 135 - opdrachtgebonden (en niet 132-
instellingsgebonden), hier moet de anciënniteit wel weer bijgeteld
worden bij herneming, dus de verhoogde anciënniteit doorgeven na de
dienstonderbreking.
Vraag 4:
Wat stuur ik door als een opdracht gelijktijdig onderbroken wordt door
meerdere (2 of meer) dienstonderbrekingen?
Antwoord 4:
Als er 2 dienstonderbrekingen genomen worden op 1 opdracht, wordt de
volledige opdracht 2 maal opgestuurd, telkens met 1 dienstonderbreking. De
opdracht mag niet gesplitst worden.
Bv. een personeelslid is 100% aangesteld als ATP A12, heeft een
ambtswijziging van 50% naar ATP A21 en neemt voor 30% verlof verminderde
prestaties (de betaling is 50% A21 barema 587 en 20% A12 barema 586):
Volgende RL-12 worden gestuurd:
100% ATP A12 586 met DO 128 VVP voor 30%
100% ATP A12 586 met DO 124 voor 50%
50% AW ATP A21 587
Alle RL12-velden moeten identiek zijn, enkel de DO, het volume DO en de
einddatum DO mogen verschillen.
Dit principe wordt toegepast indien er meerdere dienstonderbrekingen aan
1 opdracht hangen.
U vindt dit ook terug in de gebruikershandleiding pag. 67:
http://www.ond.vlaanderen.be/edison/Wat/Evenementen/2006/27%20oktober%20hogescholen/Download/elektronisch%20communiceren%20hoger.ppt#292,67,4.
gebruikershandleiding speciale situaties
naar boven
Voor de invoering van het elektronisch personeelsdossier moesten de Dimona
aangiften (RSZ-gebeurtenis) via een RL-11 opgestuurd worden. Met de invoering
van het EPD is dit niet meer nodig omdat de RL-12 (zending van opdrachten) de
RL-11 vervangt.
De 'afschaffing' van de RL-11 betekent niet letterlijk dat deze RL niet meer
door het systeem aanvaard zou worden. Het betekent enkel dat het sturen van een
RL-12 het sturen van een RL-11 overbodig maakt. Indien de RL-12 niet tijdig
opgestuurd kan worden, kan - om in orde te zijn met de RSZ (Dimona-aangifte) -
de RL-11 nog gebruikt worden. Een RL-11 die werd opgezonden en die niet
binnen de 30 dagen wordt bevestigd door een RL-12, wordt geannuleerd.
naar boven
De RL-7 valt uit elkaar in twee blokken: enerzijds de burgerlijke staat en de
gegevens van de eventuele partner en anderzijds de personen ten laste. De
burgerlijke staat wordt gemeld met gebeurteniscode 21004; de personen ten laste
met gebeurteniscode 21005.
Burgerlijke staat - Gebeurteniscode 21004
De partnergegevens worden enkel ingevuld wanneer de burgerlijke staat
“gehuwd” (code 2) of “weduwnaar” (code 3) is. Een “B” in het veld
partner-beroepsinkomen betekent dat de partner een inkomen heeft dat niet hoger
is dan het bedrag dat door de FOD Financiën werd vastgesteld. U vindt meer
informatie hierover in de omzendbrief ‘Toepassing van de bedrijfsvoorheffing –
Vermindering(en) wegens gezinslasten’, onder punt 3, punt 5 tabel b) 6 en 7, en
onder punt 7.1.
http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=13728
Inkomsten voortvloeiend uit werkloosheid, loopbaanonderbreking of andere
situaties moeten ook als beroepsinkomsten beschouwd worden.
Wijzigingen in de burgerlijke staat worden geregistreerd volgens het
fotoprincipe: de vorige situatie wordt gestopt 1 dag voor de geldigheidsdatum
van de nieuwe melding en de nieuwe toestand is geldig vanaf deze
geldigheidsdatum.
Voor de codes voor de burgerlijke staat moet gekozen worden uit volgende lijst :
- 1 = ongehuwd
- 2 = gehuwd
- 3 = weduwnaar
- 4 = gescheiden
- 5 = feitelijk gescheiden
Personen ten laste - Gebeurteniscode 21005
Voor de personen ten laste zijn er 4 categorieën die kunnen worden ingevuld.
1) Aantal zwaar gehandicapte kinderen ten laste = aantal zwaar gehandicapte
kinderen. Dit aantal wordt ingevuld in veld 12 van de RL-7 (2020 - 12).
2) Aantal zwaar gehandicapte personen ten laste = aantal zwaar gehandicapte
personen ten laste. Dit kunnen zwaar gehandicapte personen ten laste zijn (bv.
zwaar gehandicapte inwonenden die ten laste zijn) als zwaar gehandicapte
kinderen ten laste. Deze moeten dus opgeteld worden. De som wordt ingevuld in
veld 13 van de RL-7 (2020 - 13). Indien de echtgenote zwaar gehandicapt is wordt
deze niet meegeteld.
3) Aantal valide kinderen ten laste = het aantal valide kinderen ten laste.
De zwaar gehandicapte kinderen worden hier niet meegerekend (dat is in veld 12
en 13). Het bekomen aantal wordt ingevuld in veld 14 (2020 - 14).
4) Aantal valide personen ten laste: dit is het aantal valide personen ten
laste van het personeelslid (bv. inwonenden) en het aantal valide kinderen ten
laste. De echtgenote ten laste wordt niet meegeteld. De bekomen som wordt
ingevuld in veld 15 (2020 - 15).
Samenvatting:
Veld 12 en 13 betreft de gehandicapte personen; veld 14 en 15 de valide
personen.
De echtgenote ten laste wordt nooit in het aantal personen ten laste
inbegrepen. Deze moet gemeld worden bij de familiale toestand (gebeurteniscode
21004, velden 4 tot en met veld 11 moeten daarvoor worden ingevuld).
Basisregels betreffende het doorzenden van de familiale toestand:
Voor personeelsleden die voor het eerst in het onderwijs komen en voor
personeelsleden die al in het onderwijs staan maar wijzigingen hebben in hun
familiale toestand moet er een RL - 7 (familiale toestand) worden ingestuurd
door de hogeschool.
Voor de bestaande personeelsleden die geen wijzigingen hebben in hun
familiale toestand moet de hogeschool niets opsturen. Dit wordt uit het
betalingsarchief gehaald.
De hogeschool moet altijd beginnen met een RL - 7 met gebeurteniscode 21004.
Deze kan dan volledig ingevuld worden van veld 1 tot 15 (2020 - 1 tot 2020 -
15). Daarna kan pas de gebeurteniscode 21005 worden gebruikt. De gebeurteniscode
21005 wordt slechts gebruikt voor de personen ten laste. Dat is veld 12 tot en
met veld 15 (2020 - 12 tot en met 2020 - 15).
Indien men deze volgorde niet respecteert en dus onmiddellijk een
gebeurteniscode 21005 opzendt krijgt men de foutmelding "BS bestaat niet ;
aanpassing onmogelijk”. De gebeurteniscode 21005 dient dus alleen om het aantal
personen ten laste aan te geven
wanneer er reeds eerder een burgerlijke staat met gebeurteniscode 21004 is
opgegeven. De waarde van de gebeurteniscode 21005 is dat de hogeschool op dat
moment niet meer de volledige burgerlijke staat moet opgeven indien er zich
slechts wijzigingen voordoen in de personen ten laste.
naar boven
Een gastprofessor kan ofwel met een opdrachtvolume en barema worden
doorgegeven, ofwel met een vast bedrag.
Als er een bedrag wordt gestuurd moet er aangeduid worden of het
personeelslid voor die opdracht recht heeft op vakantiegeld en/of
eindejaarstoelage. Er moet ook een opdracht (in percentage) worden meegegeven
omdat dit nodig is voor de berekening van het vakantiegeld en eindejaarstoelage.
Dit vermijdt het nogmaals opvragen van lijsten van gastprofessoren om deze
berekeningen te kunnen doen. Voor de gewone maandbetaling is dit opdrachtvolume
niet relevant, want het is het bedrag dat uitbetaald wordt.
Het opgegeven bedrag wordt volledig uitbetaald, dwz dat er geen rekening
wordt gehouden met de periode bv. indien de opdracht ingaat op 15/9 wordt het
opgegeven bedrag niet à rato betaald (de helft) maar volledig.
!! Dit is een andere werkwijze dan voor mandaatsvergoedingen: hier wordt het
opgegeven bedrag wel naar rato van de opgegeven periode betaald bv.
mandaatsvergoeding vanaf 15/9: het opgegeven bedrag wordt slechts voor de helft
betaald in die maand.
naar boven
De geldelijke anciënniteit wordt berekend in de hogeschool. De hogeschool
geeft de geldelijke anciënniteit door met een RL-12 en geeft eveneens aan of
deze geblokkeerd moet worden of niet, en of deze opgehoogd moet worden (= plus 1
maand) op de eerste dag van de volgende maand.
Meer details vindt u terug in de technische handleiding:
Vraag 1:
Hoe moet de hogeschool de anciënniteit doorgeven bij opdrachten die starten in
het midden van de maand?
Antwoord 1:
Voorbeeld 1:
Een personeelslid wordt in de hogeschool aangesteld met ingang van 15-10-2006
tot bijvoorbeeld 31-12-2006. Het personeelslid heeft op 15-10-2006: 0 jaar 0
maand en 0 dagen anciënniteit (dus geen voorgaande diensten die in aanmerking
komen).
• Foto op 15/10/2006
| Periode |
barema |
ATO |
volume |
anciënniteit |
ophogen anciënniteit? |
Anciënniteit weddensysteem op 11/2006 |
| 15/10/2006-31/12/2006 |
502 |
2 |
100% |
0j0m(0d) |
Nee |
0j0m |
Het veld ‘ophogen anciënniteit’ (veld 16) laat de hogeschool toe om al dan
niet te beslissen (wat de reden ook is) om de anciënniteit de maand die volgt te
verhogen. Indien het veld met ‘ja’ wordt ingevuld zal de anciënniteit op
11/2006: 1 maand bedragen.
Voorbeeld 2a:
In het volgende voorbeeld wordt de situatie beschreven waarbij een
personeelslid start in een hogeschool op 15/10/2006, maar hij of zij heeft reeds
14 dagen anciënniteit heeft die mogen meetellen.
• Foto op 15/10/2006
| Periode |
barema |
ATO |
volume |
anciënniteit |
ophogen anciënniteit? |
Anciënniteit weddensysteem op 11/2006 |
| 15/10/2006-31/12/2006 |
502 |
2 |
50% |
0j0m(14d) |
Ja |
0j1m |
• Foto op 26/10/2006
Bijkomende opdracht van 20% met ingang van 26/10/2006. De hogeschool doet een
zending waarbij de anciënniteit op de geldigheidsdatum (d.i. 26/10/2006) nog
steeds 0j en 0 maanden moet zijn. Er mag immers geen anciënniteitssprong in het
midden van een maand uitgevoerd worden. Dit geeft in dit voorbeeld het volgende resultaat:
| Periode |
barema |
ATO |
volume |
anciënniteit |
ophogen anciënniteit? |
Anciënniteit weddensysteem op 11/2006 |
| 26/10/2006-31/12/2006 |
502 |
2 |
50% |
0j0m |
ja |
0j1m |
| 26/10/2006-31/12/2006 |
502 |
1 |
20% |
0j0m |
Ja |
0j1m |
Vraag 2:
Houdt het weddensysteem steeds automatisch rekening met anciënniteit die stopt
of doorloopt tijdens de dienstonderbreking afhankelijk van het soort voltijdse
dienstonderbreking?
Antwoord 2:
Zie hiervoor de uitleg bij het trefwoord ‘ dienstonderbrekingen algemeen’, punt
3. enkele principes, vraag 3.
Vraag 3:
Bij welke dienstonderbrekingen wordt de geldelijke anciënniteit van de
opdracht geblokkeerd (J in veld 16)?
Antwoord 3:
- bij een volledige TBS/PA (DO 098). De geldelijke anciënniteit wordt
geblokkeerd tijdens de volledige periode van de TBS/PA. Bij een deeltijdse
TBS/PA mag de anciënniteit van de opdracht niet geblokkeerd worden. Indien
het personeelslid tijdens de periode van TBS/PA een onderwijsambt uitoefent
in een andere instelling wordt de anciënniteit ook niet geblokkeerd.
- bij een TBS wegens ziekte (DO 132 en 135) . De anciënniteit moet
geblokkeerd worden tijdens de periode van TBS wegens ziekte. Bij herneming
mag de periode van TBS opgenomen worden in de geldelijke anciënniteit (met
een maximum van 2 jaar).
- bij uitputting van de bezoldigde ziektedagen van tijdelijke
personeelsleden (DO 131 en 134). De anciënniteit moet geblokkeerd worden
tijdens de periode van onbezoldigd ziekteverlof. Bij herneming mag de
geldelijke anciënniteit niet verhoogd worden met de periode van onbezoldigd
ziekteverlof.
naar boven
De haard- en standplaatstoelage (H/S) wordt niet elektronisch doorgegeven in
het EPD.
Voor de aanvraag van haardgeld moet er een verklaring 'Haardtoelage -
aanwijzing van de begunstigde' worden opgestuurd (zoals nu ook gebeurt). De
toekenning gebeurt dan manueel door de dossierbehandelaar in het EPD.
U vindt meer informatie omtrent de H/S op onderstaande link:
http://www.ond.vlaanderen.be/wedde/tabellen/tabel_JAARBEDRAGHAARDOFSTANDPLAATSTOELAGE.htm
Rechthebbenden zijn:
- de gehuwde, feitelijk gescheiden of ongehuwd samenwonende
personeelsleden;
- de alleenstaande (ongehuwd, scheiding van tafel en bed, uit de echt
gescheiden) personeelsleden die één of meer kinderen ten laste hebben.
- op de standplaatstoelage:
- de personeelsleden die geen aanspraak kunnen maken op de
haardtoelage hebben recht op de standplaatstoelage.
naar boven
Kinefonds(word, 162kB, 5p)
naar boven
Het waarnemen van een mandaat moet doorgegeven worden met een
dienstonderbreking.
De DO 123 ‘waarnemen van een mandaat hogescholen onbezoldigd’ is een
opdrachtgebonden dienstonderbreking en wordt doorgegeven met een RL-12.
Er zijn 3 mogelijkheden van betaling:
- Mogelijkheid 1: Er wordt betaald met een extra mandaatvergoeding.
Voorbeeld:
Een lector wordt betaald met salarisschaal 502 voor 100 %.
Hij ontvangt ook een mandaatvergoeding van opleidingsverantwoordelijke.
Dit moet elektronisch als volgt worden doorgegeven:
RL-12 ambt lector voor 100 % met een dienstonderbreking ‘waarnemen van
een mandaat hogescholen onbezoldigd’ voor 100 % met salarisschaal 502.
RL-12 ambt niet-decretaal mandaat met salarisschaal 502 aangevuld met het
bedrag van de mandaatvergoeding (veld mandaatvergoeding). In het veld 11
wordt dit aangeduid met “03”, aangezien het om een mandaat gaat.
De mandaatvergoeding wordt betaald naar rato van de opgegeven periode,
m.a.w. de vergoeding volgt de opdracht. Bv. mandaatvergoeding vanaf 15/9:
het opgegeven bedrag wordt slechts voor de helft betaald in de maand
september.
- Mogelijkheid 2: Er wordt betaald met een nieuwe salarisschaal.
Voorbeeld :
Een lector wordt betaald met salarisschaal 502 voor 100 %.
Hij wordt aangesteld in een mandaat met de niet-verworven salarisschaal 509
voor 100 %.
Dit moet elektronisch als volgt worden doorgegeven :
RL-12 ambt lector salarisschaal 502 voor 100 % met een dienstonderbreking
‘waarnemen van een mandaat hogescholen onbezoldigd’ voor 100 %.
RL-12 ambt mandaat salarisschaal 509 voor 100 %. In het veld 11 wordt dit
aangeduid met “03”, aangezien het om een mandaat gaat.
- Mogelijkheid 3 : Er wordt betaald met een nieuwe salarisschaal en met
een mandaatvergoeding
Voorbeeld :
Een lector wordt betaald met salarisschaal 502 voor 100 %.
Hij wordt aangesteld in een mandaat met salarisschaal 509 voor 100 %.
Het personeelslid ontvangt ook een extra mandaatvergoeding.
Dit personeelslid wordt betaald met de nieuwe salarisschaal en ontvangt
eveneens een mandaatvergoeding.
Dit moet elektronisch als volgt worden doorgegeven :
RL-12 ambt lector salarisschaal 502 voor 100 % met een dienstonderbreking
‘waarnemen van een mandaat hogescholen onbezoldigd’ voor 100 %.
RL-12 ambt mandaat salarisschaal 509 voor 100 % aangevuld met het bedrag
van de mandaatvergoeding (veld mandaatvergoeding). In het veld 11 wordt dit
aangeduid met “03”, aangezien het om een mandaat gaat.
Voorbeeld met ambtswijziging en mandaat tegelijkertijd
Een personeelslid is benoemd lector in een hogeschool voor 100 %.
Het personeelslid krijgt een ambtswijziging toegewezen van 100 % als
hoofdlector.
Het personeelslid krijgt hiervoor een nieuwe salarisschaal.
Het personeelslid krijgt ook een mandaat toegewezen voor 100 % als
opleidingsdirecteur.
Het personeelslid krijgt hiervoor een nieuwe salarisschaal en een
mandaatvergoeding.
Dit moet elektronisch als volgt worden doorgegeven :
RL-12 lector ATO 4 salarisschaal 502 voor 100 % met een
dienstonderbreking waarnemen van een ambtswijziging hogescholen onbezoldigd
(do 124) voor 100 %.
RL-12 hoofdlector ATO 2 salarisschaal 509 voor 100 % met een
dienstonderbreking waarnemen van een mandaat hogescholen onbezoldigd (do
123) voor 100 % met aanduiding ambtswijziging (code 02 in veld 11).
RL-12 niet-decretaal mandaat (opleidingsdirecteur) ATO 2 mandaat
salarisschaal 515 voor 100 % met aanduiding mandaat (code 03 in veld 11)
aangevuld met het bedrag van de mandaatvergoeding (veld 18
mandaatvergoeding).
Deze 3 RL-12’s vormen dus samen één foto die geldig is op een bepaalde
geldigheidsdatum.
De opdrachten als titularis met de opdrachtgebonden dienstonderbrekingen
waarnemen van een ambtswijziging hogescholen onbezoldigd (DO 124) en
waarnemen van een mandaat hogescholen onbezoldigd (DO123) worden niet
bezoldigd.
De bezoldiging gebeurt op de opdracht met het mandaat met de opgegeven
salarisschaal en de mandaatvergoeding.
naar boven
De nuttige ervaring die opgenomen is in de geldelijke anciënniteit voor 1996
en overgenomen door de hogeschool, moet ook doorgegeven worden bij de NBE. Het
gaat hier immers ook om nuttige ervaring die een onderdeel van de anciënniteit
is. Op deze manier is er in EPD een correct beeld van het dossier van het
personeelslid wat betreft de opbouw van de anciënniteit.
Het veld NBE moet ingevuld worden als er een barema is ingevuld. Moet dus
herhaald worden bij elke zending van opdracht met barema.
naar boven
Het gewone omstandigheidsverlof wordt doorgestuurd met DO 090. Voor het
omstandigheidsverlof n.a.v. de geboorte van een kind, zie het trefwoord
hieronder.
Omstandigheidsverlof wordt normaliter niet doorgezonden wanneer er geen
vervanger wordt aangesteld. Het mag evenwel worden doorgestuurd. Wanneer er wel
een vervanger wordt aangesteld, dan wordt dit wel doorgegeven omwille van de
correctheid van het administratief dossier. Voor de hogescholen bestaat er
evenwel geen verplichting dit door te geven (zie ook trefwoord
‘dienstonderbrekingen algemeen’).
naar boven
Dit omstandigheidsverlof wordt verplicht doorgegeven met
dienstonderbreking DO 119.
Alle dagen (= 10 werkdagen) moeten gemeld worden met DO 119.
Dit kunnen uiteraard meer kalenderdagen zijn: de periode moet opgestuurd
worden inclusief weekend(s) en eventuele feestdagen. Zie hiervoor ook:
http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/werken/personeelsadmin/hogescholen/berekeningsprog/toelichting.htm
en
http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/werken/personeelsadmin/hogescholen/berekeningsprog/Berekening_bijkomende_vergoedingnieuw.xls
Deze dienstonderbreking is in de andere onderwijsniveaus zowel voor
vastbenoemde als voor tijdelijke personeelsleden voor 10 dagen bezoldigd. Dit is
een verschil met de hogescholen waar voor de tijdelijke personeelsleden de 3
eerste dagen van het omstandigheidsverlof bezoldigd worden door de hogeschool,
terwijl voor de resterende 7 dagen beroep wordt gedaan op het ziekenfonds. De
hogeschool moet wel in voorkomend geval deze 7 dagen aanvullen tot het
nettosalaris.
De dienstonderbreking DO 119, die persoonsgebonden is, wordt ook voor de
hogescholen gebruikt. Er moet immers gecontroleerd worden of het betrokken
personeelslid niet meer dan 10 dagen omstandigheidsverlof heeft genoten. Voor
gemengde dossiers in hogescholen en andere onderwijsniveaus moet er over de
onderwijsniveaus heen gecontroleerd worden of de 10 dagen niet overschreden
zijn.
Wanneer er een dienstonderbreking 119 wordt gehangen aan een opdracht in een
hogeschool (HS 411), zal er geen automatische verwerking gebeuren om te
voorkomen dat DO 119 de volledige 10 dagen in alle gevallen bezoldigt.
Voor benoemden zal de cel personeel de 10 dagen manueel bezoldigen.
Voor tijdelijken zullen de eerste 3 dagen worden betaald, evenals het bedrag van
de eventuele uitbetaling van het verschil met de uitkering ziekenfonds voor de
resterende 7 dagen. De procedure voor het opsturen van dit bedrag blijft
voorlopig dezelfde als nu gebruikt wordt, dus nog op papier. Er is een nieuw
formulier
gemaakt om deze
vergoeding aan te vragen.
Opmerking :
In de onderwijssector spreekt men van 10 dagen omstandigheidsverlof wanneer
een personeelslid tien dagen afwezig is naar aanleiding van de geboorte van een
kind.
Met het begrip vaderschapsverlof wordt verwezen naar de omzetting van het
postnataal bevallingsverlof van de moeder naar een vaderschapsverlof voor de
vader in geval van hospitalisatie of overlijden van de moeder na de geboorte van
het kind.
Dit vaderschapsverlof wordt opgezonden met DO 006 (zie trefwoord
‘vaderschapsverlof’).
naar boven
Het betreft de personeelsleden die van de regeringscommissaris het fiat
hebben gekregen voor de gedeeltelijke vrijstelling van 65% van de
bedrijfsvoorheffing voor de hogeschool. Zij komen voor op de lijst die het
regeringscommissariaat bezorgt aan de afdeling hoger onderwijs en hebben
bijgevolg code 24 toegekend gekregen.
Voor deze personeelsleden wordt in veld 12 detailfunctie de waarde
‘00000887’: erkend wetenschappelijk onderzoek aangeduid.
Enkel de personeelsleden die goedgekeurd zijn op de lijsten mogen deze
aanduiding krijgen. Deze aanduiding is verplicht voor deze personeelsleden. De
aanduiding kan alleen voorkomen bij de ambten van assistent, doctor-assistent,
werkleider, lector en hoofdlector.
naar boven
De hogeschool stuurt een stopzetting wegens ontslag op met geldigheidsdatum
de dag volgend op de laatste werkdag.
De eventuele opzeggingsvergoeding die onmiddellijk bij ontslag van een
personeelslid wordt uitbetaald, moet nog opgestuurd worden op papier. Er is een
nieuw
formulier
gemaakt om deze
vergoeding aan te vragen.
Er is geen zending via het EPD mogelijk van dergelijke ontslagvergoeding.
U vindt meer informatie over de betaling van de ontslagvergoeding op deze
link:
http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/werken/personeelsadmin/hogescholen/mededelingen/ozb20040319.htm
naar boven
Het overlijden van een personeelslid wordt gemeld via een RL 4 stopzetting
wegens overlijden.
De geldigheidsdatum van de stopzetting wegens overlijden moet altijd de dag na
het overlijden zijn.
naar boven
Het politiek verlof is niet geregeld voor het OP. Leden van het OP kunnen wel
een politiek mandaat uitoefenen waarbij de cumulatieregeling van toepassing is.
Hiervoor kan DO 139 deeltijds omwille van cumulatie worden gebruikt. Een andere
mogelijkheid is TBS/pa of loopbaanonderbreking.
Voor het ATP is het politiek verlof wel geregeld (art. 171bis tot 171septies)
en wordt DO 127 gebruikt. Dit is een opdrachtgebonden dienstonderbreking en
wordt opgestuurd met een RL-12.
naar boven
De RL-13 wordt gebruikt:
- om premies door te sturen: het gaat om de premies bedoeld in de
artikelen 141 § 1 en 157 van het hogescholendecreet
- om de vakantiebezoldiging door te sturen, zoals bedoeld in
het BVR van 24/6/1997
Er moet dus aangeduid worden om welk type premie het gaat: een gewone premie
of een vakantiebezoldiging.
De administratieve toestand moet aangeduid worden omdat op een premie
dezelfde afhoudingen gebeuren als voor het statutaire ambt: bv. voor een benoemd
lector die in een bepaalde maand een premie krijgt, moet in de RL-13 ATO 4
worden aangeduid, voor een tijdelijk personeelslid moet ATO 2 worden aangeduid.
Bij de vakantiebezoldiging is het altijd ATO 1 of 2 (altijd tijdelijk OP).
De reden dat de ATO moet aangeduid worden, is dat de RL-13 volkomen los staat in
EPD van de RL-12, er is geen koppeling met de opdracht.
De geldigheidsdatum is steeds de 1ste van een maand, en de premie wordt
betaald in die maand: bv. geldigheidsdatum = 1/10/2007: de premie zal betaald
worden van 1/10/2007 tot 31/10/2007.
Voor de vakantiebezoldiging is dit steeds de maand juli of augustus (cfr BVR van
24/6/1997), de geldigheidsdatum voor een RL-13 type vakantiebezoldiging moet dus
ofwel 1/7 ofwel 1/8 zijn.
naar boven
Een samenwerkingsovereenkomst wordt opgezonden met dienstonderbreking DO 125.
Deze DO is bezoldigd.
Het betreft alle uitleningen, wedertewerkstellingen buiten de hogeschool,
verloven wegens opdracht, verlof ministerieel kabinet etc... Ook tewerkstelling
bij de VLHORA, het regeringscommissariaat, accreditatieorganen valt hieronder.
Het personeelslid blijft in deze gevallen administratief verbonden aan de
hogeschool en bezoldigd ten laste van de enveloppe van de hogeschool, maar werkt
wel elders. In de samenwerkingsovereenkomst worden o.a. de modaliteiten omtrent
de terugbetaling aan de hogeschool door de derde instantie geregeld.
Er kan een vervanger worden aangesteld in de hogeschool. Er moet dus een
dienstonderbreking worden gemeld (zie ook trefwoord ‘dienstonderbrekingen
algemeen’).
De samenwerkingsovereenkomsten voor de personeelsleden van het centraal fonds
waarbij de loonkost door de derde instantie wordt terugbetaald aan het centraal
fonds, moeten verplicht worden doorgegeven.
naar boven
De personeelsleden die in het kader van art. 309 van het hogescholendecreet
een opdracht krijgen in een CVO worden opgestuurd met DO 126 ‘waarnemen van een
opdracht in OSP art. 309. Dit is een opdrachtgebonden dienstonderbreking die
wordt doorgegeven met een RL-12. Deze dienstonderbreking is bezoldigd.
De samenwerkingsakkoorden moeten nog steeds opgestuurd worden zodat de
terugbetaling aan de hogeschool kan gebeuren, zoals dat momenteel gebeurt.
naar boven
Het doorsturen van een RL-4 wist alle opdrachten van het personeelslid in de
hogeschool.
Indien dit niet de bedoeling is moet er een RL-12 worden gestuurd die werkt via
het fotoprincipe.
De RL-4 wordt gebruikt bij ontslag, overlijden, pensioen…
naar boven
Personeelsleden die ‘gedetacheerd’ zijn naar de representatieve
vakorganisaties worden doorgegeven met de dienstonderbreking DO 18 syndicaal
verlof. Deze dienstonderbreking is bezoldigd, maar zal niet betaald worden op
het instellingsnummer van de hogeschool.
Het gaat om de personeelsleden die ten gevolge van art. 304bis van het
hogescholendecreet of in uitvoering van CAO I bezoldigd worden ten laste van het
centraal fonds. Er moet administratief geen zending gebeuren voor het centraal
fonds. De cel personeel zorgt voor de betaling ten laste van het centraal fonds.
naar boven
Voor een TBS/pa moet de DO 098 opdrachtgebonden worden gebruikt.
De DO 098 wordt zowel bij een voltijdse als een deeltijdse TBS/pa gebruikt.
Wanneer het personeelslid een voltijdse betrekking heeft over de
onderwijsniveaus heen en in elke instelling een TBSPA neemt, dan moet elke
instelling afzonderlijk voor elke opdracht afzonderlijk de uren (of percentage)
van de dienstonderbreking opgeven.
naar boven
Er zijn verschillende codes DO voor de TBS voorafgaand aan het rustpensioen
afhankelijk van het stelsel.
DO 62: TBS/pa voorafgaand aan het rustpensioen: dit is de organieke voltijdse
TBS-55+/58+ voor de personeelsleden geboren voor 1 oktober 1947
Do 63: deeltijdse TBS/pa voorafgaand aan het rustpensioen: dit is de deeltijdse
TBS-55+/58+ voor de personeelsleden geboren voor 1 oktober 1947, en voor de
personeelsleden geboren op of na 1 oktober 1952. Vanaf 1 oktober 2007 is
dit stelsel ook mogelijk voor de personeelsleden geboren op of na 1 oktober 1947
en voor 1 oktober 1952.
DO 107: bonus, voor de personeelsleden die geboren zijn tussen 1 oktober 1947
en 30 september 1952 en gebruik maken van het uitzonderingsstelsel
DO 108: VTBS58+: dit is de organieke TBS58+
Deze dienstonderbrekingen worden opgestuurd met als datum de ingangsdatum van de
TBS zodat er een elektronische melding gebeurt voor het EPD.
De eigenlijke aanvraag van de TBS voorafgaand aan het rustpensioen gebeurt
nog steeds via de HOPTBS zodat de voorwaarden kunnen worden gecontroleerd en het
wachtgeld berekend.
Enkele principes:
- Als er een bonus wordt opgestuurd (code 107) kan eventueel ook al de
VTBS58+ worden opgezonden (code 108) met een ingangsdatum (geldigheidsdatum)
in de toekomst.
De pensioendatum kan ook al worden opgezonden met een RL-4 stopzetten
opdrachtenpakket met als reden pensioen.
- Als men behoort tot de uitzonderingscategorie (= geboren tussen 1
oktober 1947 en 30 september 1952) en men na de leeftijd van 58 jaar een
bonus neemt, wordt de dienstonderbreking "bonus" (code 107) gebruikt.
Een bonus kan ook doorlopen of beginnen na de leeftijd van 60 jaar.
- De DO “VTBS58+ “( code 108) wordt gebruikt indien men een VTBS58+ neemt,
vanaf de leeftijd van 58 jaar. Het pensioen gaat dan in op de 1ste van de
maand volgend op de 60ste verjaardag. De VTBS58+ kan zowel voor
personeelsleden die behoren tot de uitzonderingscategorie en die een
organieke 58+ nemen (al dan niet na opname van de bonus), als voor de
personeelsleden geboren na 30 september 1952.
naar boven
De TBS wegens ziekte wordt opgestuurd met de instellingsgebonden code 132 of
de opdrachtgebonden code 135.
Wat is het verschil met DO 67 TBS pensioencommissie?
De dienstonderbreking met code 67 TBS pensioencommissie wordt enkel gebruikt
voor personeelsleden die al met TBS wegens ziekte zijn, en waarvoor de
pensioencommissie de uitspraak doet dat het personeelslid niet meer geschikt is
om zijn ambt te vervullen maar wel geschikt is om een ander ambt uit te oefenen
bv. administratieve taken (en deze uitoefening gebeurt ook effectief).
naar boven
Dit veld ( veld 5 van de RL-12) wordt enkel aangeduid indien een
personeelslid dat een TAO neemt in een ander onderwijsniveau bv. het
secundair onderwijs, een tijdelijk andere opdracht uitoefent in de hogeschool.
Bv. een personeelslid heeft een TAO in het secundair onderwijs voor 10/20.
Hij heeft een opdracht in de hogeschool voor 65%.
1ste opdrachtlijn: 50% tijdelijk , TAO ‘J’
2de opdrachtlijn: 15% tijdelijk, TAO ‘blanco’
naar boven
Het verlof wegens overmacht mag niet gestuurd worden met DO 30. Er is geen
specifieke DO voorzien. Indien dergelijk verlof wegens overmacht zich voordoet
moet DO 090 omstandigheidsverlof worden gebruikt.
Meer uitleg over het uitzonderlijk verlof wegens overmacht vindt u onder:
http://www.ond.vlaanderen.be/cursusschoolsecretariaten/08_a_verloven/2_verloven=dienstactiviteit/06_overmacht.htm
DO 30 Verlof dwingende redenen familiaal belang geldt enkel voor
personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, en wordt slechts uitzonderlijk
gebruikt.
http://www.ond.vlaanderen.be/cursusschoolsecretariaten/08_a_verloven/6_verloven_enkel_gem.schapsond/6_2_DwingendFamiliaal.htm
naar boven
Vaderschapsverlof is geregeld voor de personeelsleden van de hogescholen in
het besluit van 31 maart 2006 gepubliceerd in het BS op 19-4-2006.
Vaderschapsverlof (DO 006) kan beginnen vanaf 1-7-2004 (art. 24 van het
besluit).
Het vaderschapsverlof kan worden genomen door vastbenoemde en door tijdelijke
personeelsleden. Het vaderschapsverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Het telt mee voor de geldelijke en de sociale anciënniteit.
Het vaderschapsverlof wordt bezoldigd voor vastbenoemde personeelsleden.
Het vaderschapsverlof wordt niet bezoldigd voor tijdelijke personeelsleden.
Het vaderschapsverlof is een instellingsgebonden dienstonderbreking die wordt
doorgezonden via een RL-2.
naar boven
Er zijn 2 DO codes voorzien voor het VVP wegens ziekte:
- DO 002 VVP wegens ziekte
- DO 116 Verlof voor verminderde prestaties ziekte – Pensioencommissie
De DO 002 wordt gebruikt bij de gewone gevallen van VVP wegens ziekte: 30
dagen halvedagprestaties met een maximum van 90 dagen in een periode van 10 jaar
dienstancienniteit. Het gaat om de gevallen dat het personeelslid zelf vraagt om
zijn opdracht met verminderde prestaties te hernemen. De behandelende arts en
het controle-organisme moeten vervolgens instemmen met het verzoek, vooraleer de
dienstonderbreking 002 VVP wegens ziekte kan worden genomen.
De DO 116 VVP wegens ziekte – pensioencommissie wordt gebruikt om de
personeelsleden aan te duiden die terbeschikking gesteld zijn wegens ziekte en
waarvan de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst beslist
heeft dat het personeelslid halftijds moet hervatten. Het personeelslid moet dan
halftijds presteren maar wordt voltijds (op basis van de oorspronkelijke
prestaties) betaald. Het gaat hier dus om één van de beslissingen die de
pensioencommissie van de AGD kan nemen. Zo kunnen die personeelsleden worden
herkend.
Zowel de DO 002 VVP wegens ziekte als de DO 116 VVP wegens ziekte –
pensioencommissie moeten opgestuurd worden omwille van de administratieve
correctheid van het dossier. Deze dienstonderbrekingen kunnen enkel genomen
worden door benoemde personeelsleden.
naar boven
De DO 009 ‘VVP n.a.v. een arbeidsongeval’ is een opdrachtgebonden
dienstonderbreking die wordt opgezonden met een RL-12.
De dienstonderbreking kan worden genomen door vastbenoemde en door tijdelijke
personeelsleden en telt mee voor de geldelijke en de sociale anciënniteit.
Deze dienstonderbreking wordt volledig bezoldigd.
De reglementaire basis is artikel 32 bis van het Koninklijk besluit van 24
januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van
de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en
van het werk (B.S. 08/02/1969):
“Indien de Administratieve Gezondheidsdienst de getroffene geschikt acht om zijn
ambt weder op te nemen met verminderde prestaties, zowel tijdens de periode van
tijdelijke ongeschiktheid als na de consolidatie, mag ongeacht de reglementaire
bepalingen betreffende het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte of
gebrekkigheid, de getroffene zonder tijdsbeperking en volgens de verdeling
bepaald door de Administratieve Gezondheidsdienst zijn ambt uitoefenen, onder
voorbehoud nochtans dat de getroffene tenminste de helft van de normale duur van
een ambt met volledige prestaties kan volbrengen.”
naar boven
Momenteel berekenen de hogescholen zelf het ziekteverlof. De hogescholen
vragen wel regelmatig om ondersteuning bij de berekening. De dossierbehandelaar
van de cel personeel maakt dan een manuele berekening op basis van de gegevens
in het dossier. Voor de berekening van het ziekteverlof van de tijdelijke leden
van het onderwijzend personeel is deze excelsheet gepubliceerd op de website.
http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/werken/personeelsadmin/hogescholen/berekeningsprog/Kopie%20van%20ZV_tijdelijk_OP.xls
(54,0 kB)
De hogescholen sturen het ziekteverlof door (begin- en einddatum), en ook de
eventuele ingangsdatum van de uitputting van het ziekteverlof, zowel voor
benoemden als tijdelijken, en ook de datum van herneming (= einddatum
dienstonderbreking).
Met de invoering van EPD blijft dezelfde werkwijze gehandhaafd. Hogescholen
berekenen (eventueel met ondersteuning van de cel personeel) en verwerken het
ziekteverlof zelf. Er gebeurt in het EPD geen automatische verwerking maar
alleen een registratie van de nieuwe codes ziekteverlof voor de hogescholen. De
berekening van het wachtgeld bij de TBS ziekte gebeurt door de cel personeel.
Er worden 6 nieuwe codes voor ziekteverlof hogescholen aangemaakt: 3 codes
opdrachtgebonden en 3 codes instellingsgebonden.
De dienstonderbrekingen ziekteverlof instellingsgebonden ( DO 130, 131, 132)
worden opgestuurd met een RL-2.
Het ziekteverlof wordt alleen gehangen aan de opdrachten in de betrokken
hogeschool. Het wordt gehangen aan alle opdrachten in de betrokken hogeschool.
In de meeste situaties zullen deze instellingsgebonden codes gebruikt worden.
Bv. een werkleider heeft voor 50% salarisschaal 528 en voor 50% salarisschaal
509. Het ziekteverlof wordt gemeld met een instellingsgebonden DO 130 omdat het
geldt voor de totale opdracht in de hogeschool.
Als het personeelslid een opdrachtgebonden dienstonderbreking heeft in
combinatie met ziekte mag ook de instellingsgebonden dienstonderbreking ziekte
gebruikt worden.
De dienstonderbrekingen ziekteverlof opdrachtgebonden (DO 133, 134, 135)
worden opgestuurd met een RL-12.
Deze codes worden alleen gebruikt als er per opdracht een verschillend resultaat
moet worden weggeschreven.
Dit wordt gebruikt wanneer een personeelslid bv. zowel een ATP als een OP
opdracht uitoefent. De ziekteverlofverwerking kan een verschillend resultaat
geven: bv. geen uitputting ziekteverlof voor het gedeelte OP, wel uitputting
voor het gedeelte ATP.
Hetzelfde doet zich voor als een personeelslid gedeeltelijk benoemd is en
gedeeltelijk tijdelijk: als er voor beide opdrachten nog recht is op bezoldigde
ziektedagen, wordt de instellingsgebonden dienstonderbreking 130 ‘bezoldigd
ziekteverlof hogescholen’ gebruikt. Indien echter het ziekteverlof voor één van
beide of allebei de opdrachten uitgeput is worden de betreffende
opdrachtgebonden dienstonderbrekingen ziekte gebruikt.
Een ander voorbeeld met TBS wegens ziekte en verlof voor verminderde
prestaties:
Men gebruikt de DO 135 opdrachtgebonden als de TBS ziekte slechts op een
gedeelte van de opdracht betrekking heeft
bv. een voltijds benoemd personeelslid heeft een opdracht van 100 % waar 50 %
VVP op is genomen. In dit geval wordt het wachtgeld wegens TBS ziekte berekend
op de nog overblijvende 50 %. Een TBS wegens ziekte maakt immers geen einde aan
het verlof voor verminderde prestaties.
Er moet in dit voorbeeld dus 2 keer van de totale opdracht worden vertrokken
omdat het gaat om 2 opdrachtgebonden dienstonderbrekingen op éénzelfde opdracht.
RL 12 met opdracht van 100 % en een opdrachtgebonden dienstonderbreking 128 VVP
voor 50 %.
RL-12 met opdracht van 100 % en een opdrachtgebonden dienstonderbreking 135 TBS
ziekte vastbenoemden hogescholen opdrachtgebonden voor 50 %
Beide RL-12's worden verzonden in hetzelfde bericht.
Het wachtgeld wordt berekend op een opdracht van 50 %.
Timing van opsturen ziekteverlof
Momenteel wordt het ziekteverlof voor benoemde personeelsleden om de 6
maanden via papier opgestuurd en voor tijdelijke personeelsleden om de 2
maanden.
Voor het elektronisch personeelsdossier moet het ziekteverlof onmiddellijk
opgestuurd worden.
Dit is zeker het geval indien het ziekteverlof uitgeput is en er een TBS wegens
ziekte of een onbezoldigd ziekteverlof voor tijdelijken moet worden opgezonden.
Dit heeft immers onmiddellijk gevolgen voor de betaling.
Het ziekteverlof moet ook onmiddellijk worden doorgezonden bij gecombineerde
dossiers met andere onderwijsniveaus. Voor deze dossiers gebeurt de verwerking
immers op het niveau van het ander onderwijsniveau in het EPD. De bezoldigde
ziektedagen genoten in de hogescholen moeten worden aangerekend op het
contingent bezoldigde ziektedagen van het betrokken personeelslid voor de andere
onderwijsniveaus. De diensten gepresteerd in de hogescholen worden immers ook
meegeteld voor de sociale anciënniteit voor vastbenoemde personeelsleden of voor
het aantal bezoldigde tijdelijke dagen genoten als tijdelijk personeelslid voor
tijdelijke personeelsleden.
naar boven |