125 miljoen extra werkingsmiddelen voor het leerplichtonderwijs
Historisch akkoord over financiering leerplichtonderwijs vertrekt van het sociale profiel van de schoolbevolking
Persmededeling Kabinet Vlaams minister van Onderwijs en Vorming
datum: 26 november september 2007
Een deel van de werkingsmiddelen voor basis- en secundaire scholen wordt vanaf volgend jaar verdeeld volgens het profiel van de schoolbevolking. Scholen die meer barrières moeten overwinnen om hun leerlingen tot succes te begeleiden, zullen meer middelen krijgen. En de lat tussen de netten wordt gelijk gelegd, op 7,5% objectieve verschillen na. Voor ongeveer alle scholen betekent dit winst, maar veruit de grootste sprong maken die scholen die veel leerlingen uit kansengroepen aantrekken en extra moeite moeten doen om de talenten van hun leerlingen te ontdekken en te ontwikkelen. Na intensieve onderhandelingen heeft minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke hierover een akkoord met de onderwijskoepels en het GO!. De minister noemt de nieuwe financiering het koninginnenstuk van zijn onderwijsbeleid, een beleid dat volledig in het teken van gelijke kansen staat.
De werkingsmiddelen voor basis- en secundaire scholen bedragen vanaf het schooljaar 2008-2009 ruim meer dan 800 miljoen euro. Met deze middelen kunnen scholen lesmateriaal aankopen, uitstappen organiseren, verwarming betalen, … Behalve werkingsmiddelen ontvangen scholen ook omkaderingsmiddelen om personeel aan te stellen en is er afzonderlijke financiering om scholen te bouwen. Omkadering en infrastructuurmiddelen zijn geen onderdeel van dit akkoord. De werkingsmiddelen stijgen volgend schooljaar met 85 miljoen in het basisonderwijs en 40 miljoen in het secundair onderwijs. De totale toename van de werkingsmiddelen tussen 2004 en 2009 bedraagt voor het basisonderwijs 58% (152 miljoen) en voor het secundair 34% (104 miljoen).
De verdeling van de werkingsmiddelen is al heel lang voorwerp van discussie. Vandaag is het net waartoe een school behoort doorslaggevend bij deze verdeling, er wordt per leerling een verhouding 100/76 aangehouden tussen het GO! en de andere netten. De kenmerken van een leerling spelen geen rol. Nochtans moet een school met bv. veel anderstalige leerlingen meer investeren dan gemiddeld om succes te boeken.
Om die reden wordt de financiering nu hervormd: de lat wordt gelijk gelegd tussen de netten en de leerlingenkenmerken worden mede bepalend voor de verdeling. Op basis van wetenschappelijk onderzoek is besloten dat 4 kenmerken goed voorspellen welke leerlingen gemiddeld minder kans op succes hebben, dus voor welke leerlingen scholen extra inspanningen moeten leveren:
- kinderen van lageropgeleide ouders
- kinderen die thuis geen Nederlands spreken
- kinderen uit gezinnen met een laag inkomen
- kinderen die in een kansarme buurt wonen.
De laatste twee kenmerken kan de overheid uit eigen databanken halen, voor de eerste twee is in september een enquête gehouden bij 1,1 miljoen gezinnen. Op basis van de resultaten zijn simulaties gemaakt om te bepalen hoeveel gewicht deze leerlingenkenmerken in de financiering zouden krijgen. Hierover is intensief onderhandeld met de onderwijskoepels en het GO!, wat nu resulteert in een evenwichtig akkoord, dat ook toelaat te garanderen dat geen enkele school achteruit gaat.
Van het totale budget werkingsmiddelen worden twee voorafnames voor objectieve verschillen gedaan:
- officiële scholen zijn wettelijk verplicht meerdere levensbeschouwelijke
vakken aan te bieden, en krijgen per leerling 4,5% extra om de kost van die
vakken te dekken. Aangezien kleuters geen levensbeschouwelijke vakken
krijgen, geldt dat niet voor het kleuteronderwijs
- omdat het de vrije schoolkeuze moet garanderen, krijgt het GO! per leerling 3% werkingsmiddelen extra om de kost daarvan te dekken.
Vervolgens wordt een deelbudget vastgesteld om te verdelen volgens de leerlingenkenmerken:
- in het basisonderwijs wordt volgend schooljaar 14% van de
werkingsmiddelen verdeeld, louter op basis van leerlingenkenmerken. Dat
percentage loopt tegen 2017 op tot 15,5%. Elke indicator weegt bij de
verdeling even zwaar.
- in het secundair onderwijs bedraagt dit aandeel volgend schooljaar 10% en het stijgt tegen 2017 naar 11%. De indicator “buurt” zal slechts één tiende uitmaken van de 10% (leerlingen in secundair onderwijs verplaatsen zich gemakkelijker), de rest van het bedrag (9% in 2008-2009, 10% in 2017-2018) wordt gelijk over de drie resterende indicatoren verdeeld.
Deze middelen worden als één pakket toegekend per school, het gaat dus niet
om een rugzakje dat per individuele leerling aangewend moet worden. Het
beschikbare bedrag voor elk van de leerlingenkenmerken wordt verdeeld over de
scholen a rato van het aantal leerlingen dat op de betreffende indicator
‘aantikt’. Dat bedrag is niet te beschouwen als een rugzakje voor deze
individuele leerling noch als het bedrag dat deze individuele leerling nodig
heeft. Een ‘aantikkende’ leerling staat voor een ruimere groep leerlingen die
met een bepaalde problematiek wordt geconfronteerd. Afhankelijk van de
operationele definitie kan het aantal leerlingen dat aantikt immers variëren.
Wat essentieel is, is het bedrag dat de school aan werkingsmiddelen genereert.
Het budget dat per leerlingenindicator op schoolniveau ontstaat moet aan het
profiel van de school beantwoorden.
Het gros van de middelen (basisfinanciering) wordt lineair verdeeld volgens
bepaalde schoolkenmerken. Deze “basisfinanciering” vertrekt van een bepaald
aantal punten per onderwijsniveau, studiegebied en onderwijsvorm (bv. lager
onderwijs weegt zwaarder dan kleuteronderwijs, tso weegt zwaarder dan aso, want
in tso zijn er meer kosten voor basisuitrusting). Door het budget na de
voorafnames voor objectieve verschillen en het deelbudget voor
leerlingenindicatoren te delen door het totaal aantal punten, ontstaat een
basisgeldwaarde per punt. Wat een school in het financieringssysteem genereert
is de som van de basisfinanciering, eventuele extra financiering voor vrije
keuze of levensbeschouwelijke vakken en de som van wat haar leerlingen genereren
aan extra’s gezien hun specifieke leerlingenkenmerken. De basisgeldwaarde per
punt blijft constant.
Minister Vandenbroucke is tevreden over het bereikte akkoord: “Gelijke kansen
worden de motor van de financiering van de scholen. Samen met de nieuwe
financiering voor het hoger onderwijs kunnen we zo de eerste proef van de
tienkamp voor gelijke kansen rondmaken. Maar tegelijk wil ik benadrukken dat er
nog negen andere proeven zijn: centen zijn een (belangrijke) voorwaarde, maar de
aanpak in de scholen telt uiteindelijk. Meer middelen op basis van een sociaal
profiel moet vooral een signaal zijn om aan de slag te gaan voor gelijke
kansen.”
Het bereikte akkoord wordt nu omgezet in decreetteksten, die voor Kerstmis een
eerste keer voorgelegd worden aan de Vlaamse Regering. De hervorming zit zo op
schema, zodat ze vanaf volgend schooljaar in praktijk kan worden. De verdeling
van de omkaderingsmiddelen, die rond moet zijn tegen het schooljaar 2011-2012,
staat hier helemaal los van.
Architectuur nieuwe financieringsmechanisme – werkingsmiddelen (pdf, 4p)
Puntengewichten secundair onderwijs (pdf, 1p)
Evolutie werkingsmiddelen (xls-bestand)