| Kernpunten
uit de reactie van de VLOR Het volledige advies van de VLOR beslaat 12 bladzijden. Wij vatten de standpunten samen op twee pagina's. Voor elk item staat het nummer waaronder dit in de uitgebreide tekst wordt behandeld. Niet alle punten uit de volledige tekst zijn opgenomen in de samenvatting. 2.1
De VLOR erkent dat leraren noch als individu, noch als lid van een
schoolteam adequaat kunnen beantwoorden aan al de verwachtingen die de
maatschappij stelt. De VLOR stelt dat de leraar de "psycho-pedagogische
taken" die voortvloeien uit de behoeften van de leerlingen moet
invullen. Zo vormt leerlingenbegeleiding een cruciaal onderdeel van de
lerarenopleiding. 2.2
De VLOR vraagt zich af alle belangrijke aspecten van professioneel
handelen te vatten zijn in beroeps- en opleidingsprofielen. Leraarschap
steunt ook op de persoonlijkheid van de leraar, op zijn
leerlingbetrokkenheid en engagement. Opvattingen van leraren zijn bepalend
voor hun handelen: daarom moet de opleiding zich ook richten op de kennis
en opvattingen van de studenten. Dit ontwikkelings- en leerproces gaat
overigens de hele loopbaan verder. 2.3
De VLOR vindt dat niet de overheid maar de onderwijssector (de werkgevers
en de beroepsgroep) verantwoordelijk moet zijn voor het
formuleren van de beroepsprofielen. De VLOR pleit voor een rechtstreekse
dialoog tussen afnemend veld, beroepsgroep en opleidingsinstituten (NvdR:
in deze context gebruiken de deelnemers aan het debat de termen
"afnemers" en "afnemend veld/sector" voor de scholen
die afgestudeerden aanwerven). 2.4
De VLOR formuleert de nood aan beroepsprofielen voor leraren kunst-,
technische en praktijkvakken, voor buitengewoon en volwassenenonderwijs.
Ook moet er een beroepsprofiel komen voor de lerarenopleiders zelf. 3.1
Een nieuw decreet op de lerarenopleiding moet stimulansen inbouwen om de professionaliteit
van de lerarenopleiders te verhogen. Zij moeten een specifieke
pedagogische opleiding combineren met een grondige kennis van het werkveld
waartoe ze opleiden. Bij voorkeur gebeurt dit door nuttige ervaring in het
werkveld en/of door langdurige stages. 3.2
De VLOR verzet tegen de uitwerking van startcompetenties als
derde instrument. De basiscompetenties geven de competenties waarover een
student beschikt als hij de lerarenopleiding verlaat. Deze moeten zich dus
beperken tot wat haalbaar is in de initiële opleidingen. Daarnaast
beschrijven beroepsprofielen de competenties van ervaren leraren. 4.1.2
De VLOR wil de vlakke loopbaan doorbroken zien via zowel horizontale als
verticale mobiliteit. 4.1.3
Leraren moeten breed inzetbaar zijn. De grenzen tussen kleuter- en
basisonderwijs en tussen lager en secundair onderwijs zijn minder strikt geworden. Leraren moeten daarom in de
opleiding een basiskennis verwerven over de aansluitende onderwijsniveaus. 4.2
De overheid moet dringend een stelsel uitbouwen voor het levenslang
leren van de leraar. Dat begint met langdurige stages en gaat verder met
aanvangsbegeleiding die gedragen wordt door de school waar de leraar een
opdracht heeft samen met de opleidingsinstituten. 4.3
De VLOR vindt het tekort aan synergie tussen de realiteit in het
onderwijsveld en deze van de opleidingsinstituten de voornaamste conclusie
van het evaluatierapport. Daarom pleit de VLOR voor regionale netwerken
tussen lerarenopleiding en scholen waarbij de mentor een brugfunctie
vervult. Er moet overleg georganiseerd worden tussen opleiders en afnemers
en tussen de verschillende lerarenopleiders. 4.3.1
Er moeten meer lerarenopleidingen in duale stelsels komen: de
wisselwerking tussen theorie en praktijk verrijkt de opleiding. 4.3.2
Tijdens de stage moet de student ook een groot gedeelte van het klasmanagement
op zich kunnen nemen en functioneren als lid van een schoolteam. 4.4
De VLOR stelt vast de lerarenopleidingen de gemeenschappelijke stam
(aspecten zoals reflectie, leerlinggerichtheid, engagement) in hun
opleidingen minimalistisch invullen. 4.6
In de regel kiezen niet de sterkste studenten voor de lerarenopleiding,
stelt de VLOR vast. Een verhoging van de kwaliteit van de instroom
hoort thuis in een globale strategie voor de waardering van de leraar. Wel
moet de lerarenopleiding op een realistische wijze rekening houden met het
profiel van de studenten, bv. via specifieke modules die tekorten (zoals
taalvaardigheid) remediëren. 5
De VLOR wil dat het debat over de lerarenopleiding deel uitmaakt van de
discussie over de herstructurering van het hoger onderwijs in het licht
van de Bologna-verklaring. Het volledig verslag van de VLOR-standpunten.
|