Decreet kostenbeheersing basisonderwijs

Het principe van kosteloosheid en kostenbeheersing in het basisonderwijs is niet nieuw. Het decreet basisonderwijs bepaalt sinds 2001 dat scholen geen inschrijvingsgeld en bijdragen mogen vragen voor de kosten die zij maken om met hun leerlingen de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven.

In de praktijk was de grens jaren lang moeilijk te trekken. Bovendien ontbrak het de scholen vaak aan financiële middelen om dit decretaal principe te realiseren.

Nieuw decreet

Het decreet kostenbeheersing van 6 juli 2007 bracht hierin duidelijkheid en voorziet in de nodige financiële middelen, in twee stappen.

Stap 1 (1 september 2007)

  1. Een officiële lijst met materialen die kosteloos ter beschikking moeten zijn voor de kinderen, brengt duidelijkheid. Hieronder vallen leerboeken, schriften, passers, schrijfgerief, ...

    Uit onderzoek van het Hoger Instituut voor de Arbeid (HIVA) blijkt dat ouders voorheen gemiddeld 22 euro aan deze strikt noodzakelijke dingen besteedden.

    Sinds 1 september 2007 is deze kost voor ouders weggevallen, en neemt de school ze voor haar rekening. De scholen krijgen hiervoor per leerling jaarlijks 45 euro extra middelen, wat de gemiddelde kost die aan ouders werd doorgerekend dus ruimschoots dekt.
     
  2. Kosten die een school doorrekent aan de ouders voor diensten zoals maaltijden, drankjes en toezicht, moeten steeds in verhouding staan tot de geleverde prestaties.

Stap 2 (1 september 2008)

Scholen organiseren ook heel wat activiteiten die het leren boeiender en aangenamer maken voor kinderen. Deze activiteiten zijn niet noodzakelijk voor de eindtermen en ontwikkelingsdoelen.
 
Om de kostprijs van deze activiteiten te begrenzen, werken scholen nu met een dubbele maximumfactuur.

  1. De scherpe maximumfactuur omvat activiteiten zoals toneelbezoek, sportactiviteiten, schooluitstappen van één dag, … Ook materialen die de kinderen via de school moéten aankopen, vallen hieronder (bijv. verplicht schoolabonnement op tijdschrift).

    De scherpe maximumfactuur bedraagt voor een kleuter 20 euro en voor een kind van de lagere school 60 euro. Zo blijven de kosten voor alle ouders beperkt. Uit het HIVA-onderzoek blijkt dat ouders hier gemiddeld 30 euro aan spendeerden.
     
  2. De minder scherpe maximumfactuur omvat de activiteiten buitenshuis. Dit gaat om meerdaagse uitstappen voor één of meerdere klassen (deels) tijdens de schooluren. Bijvoorbeeld zeeklassen, plattelandsklassen, ….

    De minder scherpe maximumfactuur bedraagt voor een kleuter 0 euro (meerdaagse uitstappen komen heel weinig voor) en voor een kind uit de lagere school 360 euro voor de volledige duur van het lager onderwijs. Zo kan elk kind normaal gezien mee op meerdaagse uitstap.

    Uit het HIVA-onderzoek blijkt dat ouders in het lager onderwijs voor meerdaagse uitstappen gemiddeld 323 euro uitgaven voor de volle zes jaar. Toch blijkt dat 21 van de 58 onderzochte scholen meer dan 360 euro per kind aanrekenden; in één geval zelfs 1227 euro.
     

Door de nieuwe financiering krijgen basisscholen sinds september 2008 gemiddeld nog eens 130 euro extra per kind per jaar (naast de 45 euro: zie stap 1). Dit kunnen ze gebruiken om de meerkost van bepaalde activiteiten op zich te nemen.

Als men rekent dat een kind 9 jaar basisonderwijs volgt, dan betekent dit dat de school gemiddeld 1.575 euro per leerling extra kan spenderen, naast de jaarlijkse ouderbijdrage.

Scholen kunnen dus heel wat méér investeren in het verlevendigen van het onderwijs. Deze enorme financiële injectie moet bovendien toelaten de lat gelijk te leggen tussen de netten, en tegelijkertijd een relatief grote inspanning te doen voor scholen die veel kansarme kinderen tellen.

naar boven