Brussels Curriculum


Brusselvarianten in het secundair onderwijs

Experimenten met flexibelere leertrajecten

Eind april 2004 zette de Vlaamse regering het licht op groen voor experimenten met een aangepast curriculum voor secundaire scholen in Brussel die dat wensen. Vanaf het schooljaar 2004-2005 kunnen Brusselse scholen naast het gewone lesprogramma één of twee alternatieve curricula of programma’s organiseren in de eerste graad. De bedoeling is dat de scholen, dankzij die ‘Brusselvarianten’ beter kunnen inspelen op de noden van hun zeer gedifferentieerd leerlingenpubliek en dat zowel de zwakkere als de sterkere scholieren er wel bij varen.


Aanleiding

Welke overwegingen liggen aan de basis van die experimenten met het curriculum?
Ruim vier jaar geleden namen enkele leden van inrichtende machten van de Scholengemeenschap Sint-Gorik Brussel het initiatief om afgevaardigden van de verschillende onderwijsnetten in Brussel samen rond de tafel te brengen in de vorm van een Internettenoverleg. Verschillende partners hadden elkaar al gevonden in het non-discriminatieoverleg.

Aanleiding was de vaststelling dat de huidige onderwijsstructuur onvoldoende flexibiliteit biedt om tegemoet te komen aan de noden van de zeer heterogene instroom van leerlingen in de Brusselse secundaire scholen. Een steeds groeiend aantal leerlingen is immers anderstalig, er zijn leerlingen uit Brusselse basisscholen, die een ruimere voorkennis van het Frans bezitten, en leerlingen van buiten de hoofdstad die maar een beperkt pakket tweede taal meegekregen hebben. Het is voor leerkrachten secundair een hele uitdaging om zo’n gedifferentieerde groep op een aangepaste manier door de eerste graad te loodsen.

Aangezien het Nederlandstalig basisonderwijs in Brussel uit zijn voegen barst, is de komende jaren een toename van het aantal leerlingen in het secundair onderwijs te verwachten. Onderwijskwaliteit, de sterke aandacht voor het vreemdetalenonderwijs, de pluriculturele en meertalige context, de Europese dimensie, de culturele uitstraling zijn sterke troeven die gevrijwaard en maximaal uitgespeeld moeten worden.

Er moest meer soepelheid komen in de leerplannen, zodat scholen die er nood aan hebben, kunnen kiezen welk leertraject ze aan hun leerlingen aanbieden. Al spoedig was er over de verschillende netten heen eensgezindheid over die vraag. Over hoe die concreet invulling diende te krijgen, daar zijn sindsdien ettelijke vergaderingen aan gewijd. Ook andere partners werden bij het overleg betrokken: inspectie, pedagogische begeleiding, universiteitsprofessoren en onderzoekers… Het voorzitterschap was in handen van de heer Roger Haest, afgevaardigde van de Annuntiaten van Heverlee.

Tussen de overlegvergaderingen door vonden er een paar colloquia plaats waarop leden van het internettenoverleg hun ideeën en dromen de vrije loop lieten, bij wijze van sensibilisering. Zo vond in maart 2001 het colloquium ‘De nieuwe Europeaan komt eraan’ plaats en in oktober 2002 de infosessie ‘Alle wegen leiden naar Brussel’.


Stroomversnelling

De stroomversnelling in het dossier kwam er nadat de Minister van Onderwijs in januari 2003 de opdracht gaf een ad hoc werkgroep op te richten met medewerkers van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en een beperke delegatie van het ‘Internettenoverleg Brussels curriculum’. Mevrouw Ellen Van Ceulen, gemeenschapsinspectie, zit de werkgroep voor.

Uit de maandelijkse bijeenkomsten groeiden twee voorstellen met heel wat gemeenschappelijke elementen, maar die in de praktijk twee duidelijk onderscheiden varianten zijn. Ze werden officieel voorgesteld op een informatiebijeenkomst voor inrichtende machten, directies, pedagogische begeleiding, leerkrachten en andere geïnteresseerden op 13 januari 2004 in het Gemeenschapscentrum De Markten. De titel ‘Accent op Brussel’ was een bewuste knipoog naar de projecten ‘Accent op Talent’, waarmee de Vlaamse overheid andere onderwijsexperimenten aanmoedigt en ondersteunt.

De twee voorstellen zien er als volgt uit:

Brusselvariant 1: de eerste graad in drie jaar

Het eerste voorstel werd ingediend door Luc De Bacquer, coördinerend directeur van de scholengemeenschap van het Gemeenschapsonderwijs.

De Brusselvariant 1 steunt op vier pijlers:

  • De eindtermen van de eerste graad moeten bereikt zijn na drie jaar. De leerstof van sommige vakken wordt vertraagd aangeboden. Overzitten kan niet.
  • Er wordt gericht gewerkt aan het verhogen van de taalvaardigheid.
  • Er is tijd vrij om kennis te maken met een bredere waaier aan opties om de studieloopbaan van de leerlingen nog beter te begeleiden
  • Er is voldoende tijd om aan projectonderwijs te doen om vaardigheden uit de vakoverschrijdende eindtermen te realiseren.

De doelgroep wordt als volgt omschreven: die leerlingen die over een onvoldoende taalvaardigheid beschikken om zonder problemen te kunnen deelnemen aan het onderwijs in de verschillende vakken van het schoolcurriculum van het eerste leerjaar A en het tweede gemeenschappelijk leerjaar van de eerste graad.
 

Brusselvariant 2: soepeler systeem voor zowel zwakke als sterke leerlingen

De tweede variant is het geesteskind van de heer Raf De Gols, directeur van het Maria Boodschaplyceum in Brussel centrum.

Hij vertrekt van minder uren voor de basisvorming (24u) maar behoudt de tweejarige structuur van de eerste graad. Ook hier komen meer mogelijkheden vrij voor taalverwerving, maar tegelijk kunnen leerlingen die dat soort steun niet nodig hebben, zich breder vormen.

De doelgroep is verscheiden: leerlingen met taalachterstand kunnen bijvoorbeeld een uitgebreider pakket Nederlands krijgen, andere leerlingen kunnen volgens hun mogelijkheden uitbreidingsleerstof zien. Voor sterke leerlingen kan dat ook inhouden dat ze bepaalde vakken in een andere dan de onderwijstaal krijgen.
 

Enkele gemeenschappelijke kenmerken

In beide varianten kan er gebruik worden gemaakt van een project meertaligheid, voor maximaal 8 uur, en ook van het PAL-systeem, wat staat voor Periodiek Asynchroon Lesgeven. In mensentaal: niet alle leerlingen zouden op hetzelfde moment hetzelfde vak dienen te volgen, bepaalde vakken kunnen geclusterd worden in een periode van een achttal weken. Dat biedt mogelijkheden voor projectonderwijs, extra murosactiviteiten, intensievere taaltraining enzovoort.

Beide varianten moeten de eindtermen en einddoelstellingen respecteren, en in geen geval mag er een voorafname plaatsvinden van leerstof uit de tweede graad.

De Brusselse scholen zijn niet verplicht in de ene of de andere variant te stappen. Het blijft een keuzemogelijkheid en de school kan daarnaast het gewone curriculum blijven aanbieden.

 

Decretale aanpassingen

Het spreekt vanzelf dat zulke vormen van soepeler curriculum voorlopig alleen als experiment kunnen worden ingevoerd. Ook is het zo dat er voor bepaalde afwijkingen op de normale regelgeving een decretaal kader nodig is.
Bij de voorstelling op 13 januari 2004 gaf Chris Dockx, medewerker op het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, toelichting bij een ontwerp van Besluit van de Vlaamse Regering dat alle wettelijke obstakels voor het experiment moet opruimen. Dat Besluit werd nog vóór het einde van de vorige legislatuur goedgekeurd door de Vlaamse regering. Zo kon men de experimenten laten starten vanaf het schooljaar 2004-2005. De duur ervan is drie jaar.

De belangrijkste afwijking van de regelgeving betreft de eerste variant. Een leerling die de eerste graad over drie jaar spreidt, heeft meteen de zekerheid dat hij of zij er niet langer dan drie jaar over zal doen. De leerlingen kunnen niet overzitten.

Overschakelen van de Brusselvariant naar het reguliere systeem blijft mogelijk, een toelatingsklassenraad moet daarover beslissen.
Een andere belangrijke afwijking is dat de basisvorming niet aan een minimum aantal wekelijkse lestijden gekoppeld is.

Dit besluit laat dus toe dat scholen in hoge mate regelvrij worden gemaakt, om maximaal in te spelen op de diversiteit. Die kans hebben de scholen dan ook aangegrepen om hun eigen variant te maken, rekening houdend met de instroom van leerlingen en de draagkracht van de school.
 

Begeleiding en nascholing

Het geheel is uiteraard gebonden aan de beperkingen van het urenpakket waarover de school kan beschikken. Voor de Vlaamse overheid zou het experiment een budgettaire nuloperatie moeten zijn. Er is niet voorzien in extra lestijden of –middelen.

De Internettenwerkgroep vroeg uitdrukkelijk extra pedagogische begeleiding en nascholing. Alles staat of valt immers met de bereidheid en de professionaliteit van de leerkrachten die bij de uitvoering van de Brusselvarianten betrokken zijn. Jammer genoeg zat extra begeleiding er budgettair niet in.
Wel is het ‘Brussels experimenteel curriculum’ opgenomen als ‘prioritair nascholingsthema’ voor het schooljaar 2004-2005. Dat wil zeggen dat de overheid een extra budget uittrekt voor een nascholingsproject rond dat thema. Dat project werd toevertrouwd aan het Nascholingscentrum Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Het experiment geniet ook de volle steun van de dienstverlenende en coördinerende verenigingen voor het Brussels gemeenschapsonderwijs (vzw BOCO) en het katholiek onderwijs (vzw KOCB).
 

Veel werk aan de winkel

Er is nog heel wat werk aan de winkel: leerplannen dienen aangepast te worden of een addendum te krijgen, leerkrachten moeten bijgeschoold en begeleid worden, ouders en leerlingen moeten de nodige informatie krijgen om met kennis van zaken te beslissen over deelname aan het experiment. Ook de lerarenopleiding zou een inspanning moeten leveren om toekomstige leraren voor te bereiden op dit soort experimenten. Eén van de methodieken die gehanteerd zouden worden is bv ‘teamteaching’, waarbij twee leerkrachten samen in de klas staan.

Indien de Brusselvarianten bijval kennen en positief geëvalueerd worden, dan is het best denkbaar dat ze overdraagbaar zijn naar andere regio’s. Dat was echter niet het opzet van de Brusselse initiatiefnemers. Zij wilden eerst en vooral een oplossing voor een problematiek die in vele Brusselse scholen sterk aangevoeld wordt.

Laten we evenwel het vel van de beer niet te vroeg verkopen. Eén ding is al zeker: in het basisonderwijs in Brussel gaan al stemmen op om een vergelijkbaar soepel systeem te mogen hanteren wat de invulling van de verplichte lestijden tweede taal betreft in de tweede graad (3 uur per week) en de derde graad (vijf uur per week). Als het regent in het secundair, druppelt het in het basisonderwijs…


Guido François
Directeur vzw Katholieke Opvoeding en Cultuur Brussel (KOCB)

Luc de Bacquer
Coördinerend directeur Scholengemeenschap van het gemeenschapsonderwijs Brussel